Alle soorten › Nachtzwaluwachtigen › Nachtzwaluwen › Carolinanachtzwaluw
Carolinanachtzwaluw | Antrostomus carolinensis
Chuck-will's-widow | Chotacabras de la Carolina
De carolinanachtzwaluw is de grootste nachtzwaluw van Noord-Amerika, een vogel die je zelden ziet en des te vaker hoort: zijn naam is precies de roep die hij op zomeravonden urenlang herhaalt. Overdag ligt hij als een dood blad tegen de bosbodem gedrukt, met ogen dicht tot spleetjes.
Geluid
De roep is een rollend, viertonig tsjok-wils-wídou, waarvan de eerste lettergreep zacht en op afstand vaak onhoorbaar is — wat overblijft klinkt als wils-wídou, wils-wídou, minuten na elkaar zonder pauze. Mannetjes zingen vanaf een tak of van de grond, vooral in het late voorjaar en de vroege zomer, bij schemer en bij heldere maan. Van dichtbij is ook een korte, klokkende klok te horen tussen de zangstrofen door.
Opname: steve — CC BY-SA 4.0 · Frisco Campground (near Frisco), Dare County, North Carolina, United States · xeno-canto
Herkenning
Een gedrongen vogel met een grote platte kop, kleine snavel en grote bek, gehuld in fijn getekend bruin, roodbruin en zwart dat exact op dode bladeren lijkt. De keel is roomkleurig, de borst donkerder gemarmerd. Het mannetje heeft aan de buitenste staartveren brede lichte, roomkleurige tippen — geen zuiver wit — die in vlucht opvallen maar minder contrasteren dan bij zijn kleinere verwanten. Het vrouwtje mist dat lichte staartpatroon vrijwel geheel. Overdag zit hij plat op een tak of op de bosbodem, muisstil en vrijwel onzichtbaar.
Verwarringssoorten
De whippoorwill (Antrostomus vociferus) en de Mexicaanse whippoorwill (A. arizonae) zijn beide aanzienlijk kleiner en hebben bij het mannetje zuiver witte in plaats van roomkleurige staarthoeken; hun roep mist bovendien de eerste, zachte lettergreep en klinkt hoger en sneller. De texasnachtzwaluw (Chordeiles acutipennis) heeft lange, puntige vleugels met een witte vleugelband en jaagt actief vliegend, terwijl de carolinanachtzwaluw vanaf een zitplaats invallen maakt. In zijn zuidelijke winterareaal is verwarring met kleinere, eveneens roodbruine Caraïbische nachtzwaluwsoorten mogelijk, die echter een geheel andere roep hebben.
Leefgebied
Droog, open naald- en gemengd bos met een ruime ondergroei van dorre bladeren: pijnbos, eiken-hickorybos en de overgang naar zandige akkers en kaalslag. Hij broedt ook in moerasbossen en op de rand van moerassen, mits er droge grond in de buurt is om overdag te rusten en 's nachts te jagen. Gesloten, vochtig loofbos zonder open plekken mijdt hij, evenals stedelijk gebied.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt in het zuidoosten van de Verenigde Staten, van Texas en Oklahoma oostwaarts tot de Atlantische kust en noordwaarts tot Missouri, Kentucky, Virginia en New Jersey, met enkele kleine, geïsoleerde broedplekken nog verder noordoostelijk. Trekt in de herfst weg naar Florida, de Antillen, Midden-Amerika en het noorden van Zuid-Amerika. De aantallen zijn in de tweede helft van de twintigste eeuw sterk gedaald, vermoedelijk door verlies van open pijnbos en het dichtgroeien van vroegere brandvlaktes.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga op een lauwe avond in mei of juni na zonsondergang naar de rand van een pijnbos bij open terrein en wacht tot de eerste roep begint — daarna herhaalt hij zich vaak minutenlang zonder te stoppen, en kun je met een zaklamp soms de rode ogenschijn in het gras opvangen. Overdag is hij vrijwel nooit te vinden tenzij je toevallig vlak langs hem loopt.
Staat van instandhouding
Wereldwijd worden ruim vijf miljoen vogels geschat, maar het bestand is tussen 1966 en 2019 met ongeveer 58 procent afgenomen — reden voor de status Gevoelig (NT) op de internationale Rode Lijst. Verlies van open pijnbos, bestrijdingsmiddelen die zijn insectenvoedsel treffen en verstoring van broedplekken op de grond worden als belangrijkste oorzaken gezien.
Wetenschappelijke naam
Antrostomus carolinensis | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Caprimulgus carolinensis; sindsdien is ze naar een ander geslacht overgebracht, vandaar de haakjes om auteur en jaartal. Bonaparte plaatste haar in 1838 in het nieuwe geslacht Antrostomus, gevormd uit het Oudgrieks voor 'grot' en 'mond' — een verwijzing naar de grote bek. De soortnaam carolinensis verwijst naar de typelocatie, opgegeven als Virginia en Carolina maar door latere auteurs vastgelegd op South Carolina, naar het werk van de achttiende-eeuwse natuuronderzoeker Mark Catesby.



