Alle soorten › Gierzwaluwachtigen › Kolibries › Calliopekolibrie
Calliopekolibrie | Selasphorus calliope
Calliope Hummingbird | Colibrí calíope
De calliopekolibrie is de kleinste broedvogel van de Verenigde Staten en Canada: ruim twee gram zwaar, en toch vliegt hij elk jaar duizenden kilometers heen en terug tussen de bergen van het noordwesten en de bossen van Zuid-Mexico. Het mannetje draagt geen gesloten keelvlek maar losse magenta strepen op een witte keel.
Geluid
Zijn stem is klein: een hoog, dun tsjip bij het foerageren en tijdens ruzies, en verder weinig. Het meeste geluid is mechanisch. In de baltsvlucht duikt het mannetje van een meter of dertig omlaag en maakt daarbij met de staartpennen een sputterend gezoem als van een hommel, gevolgd door een scherp, hoog zing. Daarna hangt hij vlak voor het vrouwtje heen en weer te schuiven, waarbij de vleugelveren opnieuw luid zoemen. Al dat geluid komt van veren en niet uit de keel.
Opname: Don Profota — CC BY-NC-SA 4.0 · South Bozeman, Gallatin County, Montana, United States · xeno-canto
Herkenning
Het mannetje is groen van boven, met een groenige zweem langs de witte onderdelen, en heeft op de witte keel losse magentaroze strepen die naar beneden uitwaaieren. Die strepen zijn een interferentiekleur uit de bouw van de veer: ze lichten alleen op bij direct licht van voren en lijken bij tegenlicht zwart. Vrouwtje en jonge vogels zijn groen van boven met een perzikkleurige waas over de onderdelen en fijne donkere streepjes op de keel. De bouw is het beste kenmerk: klein en ineengedoken, met een korte dunne snavel en een zo korte staart dat de vleugelpunten er bij een zittende vogel tot aan of voorbij reiken.
Verwarringssoorten
Vrouwtjes en jonge vogels van de rosse kolibrie en Allens kolibrie zijn groter, hebben duidelijk roestbruin op flanken en staartbasis, en een staart die bij een zittende vogel voorbij de vleugelpunten steekt. Het vrouwtje van de breedstaartkolibrie is eveneens groter en langer van staart en mist het perzikwaas over de hele onderzijde. Het mannetje van die soort heeft een gesloten rozerode keelvlek in plaats van losse strepen en maakt in vlucht een luide, aanhoudende vleugeltriller. Bij twijfel is de verhouding tussen vleugelpunt en staartpunt het betrouwbaarst.
Leefgebied
Broedt in koele berggebieden tussen ruwweg 1200 en 3300 meter: bergweiden, wilgen- en elzenstruweel langs beken, en vooral open bos dat zich herstelt na brand of kap. Hij zoekt lage, bloemrijke opslag met een paar hoge kale takken om vanaf uit te kijken; dicht bos en warme laaglanden mijdt hij in de broedtijd. Op trek gebruikt hij woestijnwassen, kustruigten en lager bos. In Mexico overwintert hij in doornbos, dennen-eikenbos en struikrijke bosranden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedvogel van de bergen van Brits-Columbia en Zuidwest-Alberta zuidwaarts tot Californië, Nevada, Utah en West-Colorado. De trek verloopt in een lus: in het voorjaar noordwaarts door de laaglanden langs de Pacifische kust, vanaf juli alweer zuidwaarts door de Rocky Mountains en de bergen van het zuidwesten. De hele populatie overwintert in West- en Zuid-Mexico. Heen en terug gaat het om duizenden kilometers, meer dan bij welke andere vogel van dit gewicht ook. Een klein aantal blijft tegenwoordig aan de Golfkust hangen.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in juli en augustus in een bergweide met indianenkwast en penstemon, of langs een beek met wilgenstruweel: dan trekken de mannetjes zuidwaarts door de Rockies en hangen ze laag boven de bloemen. Let bij een zittende vogel op de verhouding vleugel-staart — reiken de vleugelpunten tot het staarteinde, dan heb je deze soort. Omdat hij laag en stil foerageert, wordt hij tussen grotere kolibries vaak over het hoofd gezien.
Staat van instandhouding
Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op ongeveer 4,5 miljoen vogels; tussen 1968 en 2019 was er een afname van minder dan een tiende procent, dus een vrijwel gelijk gebleven aantal. Toch staat de soort op de gele aandachtslijst, en wel om één reden: de hele populatie overwintert in een betrekkelijk klein gebied in Mexico, zodat veranderingen in die bossen de soort in haar geheel raken. In de broedgebieden is hij afhankelijk van jong, bloemrijk opslagbos, dat na enkele tientallen jaren weer dichtgroeit.
Wetenschappelijke naam
Selasphorus calliope | (Gould, 1847)
John Gould beschreef de soort in 1847 als Trochilus (Calothorax) Calliope; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Lang stond ze in het geslacht Stellula, 'sterretje'; tegenwoordig wordt ze bij Selasphorus ingedeeld, een geslacht dat Swainson in 1832 invoerde, van het Griekse selas 'licht, vlam' en -phoros 'dragend'. De soortnaam verwijst naar Kalliope, de Griekse muze van het heldendicht, wier naam 'met de schone stem' betekent. Het beschreven exemplaar kwam uit Mexico.




