Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Bonapartes strandloper

Bonapartes strandloper | Calidris fuscicollis

White-rumped Sandpiper | Correlimos culiblanco

Bonapartes strandloper legt een van de langste trekwegen van alle Noord-Amerikaanse vogels af: van de natte hoogarctische toendra naar Vuurland en de Falklandeilanden, soms in etappes van vierduizend kilometer zonder tussenlanding. Hij is te herkennen aan een zuiver witte band boven de staart, die geen andere kleine strandloper van het continent heeft. Sinds kort staat hij als kwetsbaar op de Rode Lijst.

Bonapartes strandloper (Calidris fuscicollis)
Foto: dfaulder — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een hoog, ijl en elektronisch klinkend tsjiet, vaak vergeleken met het piepen van een muis — een geluid dat boven het geroezemoes van een gemengde zwerm uitkomt en waarmee je de soort kunt vinden zonder hem te zien. Wie het eenmaal kent, hoort hem in de vlucht al voordat de witte stuitband zichtbaar wordt. Op de broedtoendra zingt het mannetje een mechanisch, insectachtig lied dat snel wisselt tussen een schril zoemen en een laag, knorrend of snurkend geluid, uitgevoerd in een zwevende baltsvlucht. Daarnaast klinken korte contactroepjes binnen de zwerm, veel zachter dan de vluchtroep.

Luister: ZangXC836099

Opname: Jacob Wijpkema — CC BY-NC-SA 4.0 · Est Parraga, Yacuma, Beni Department, Bolivia · xeno-canto

Herkenning

Iets groter en vooral langer dan de andere kleine strandlopers, met een langgerekt silhouet doordat de vleugelpunten in rust duidelijk voorbij het staarteinde steken. Het sluitende kenmerk is de brede, zuiver witte band over de bovenstaartdekveren, die pas bij het opvliegen zichtbaar wordt. In broedkleed is hij bruin met roestige tinten en fijne donkere spikkels op kop, borst en — dit is belangrijk — tot ver op de flanken, waar de andere kleine strandlopers wit zijn. Winterkleedvogels zijn effener grijsbruin zonder roest; jonge vogels zijn geschubd door helder kastanjebruine en goudkleurige veerzomen. De korte, rechte snavel heeft aan de basis van de ondersnavel een lichte, roodbruine vlek, zichtbaar bij goed licht en van dichtbij.

Verwarrings­soorten

Bairds strandloper (Calidris bairdii) is de meest verwarrende soort: even langvleugelig en langgerekt, maar warmer beige van borst, zonder streping op de flanken en met een donkere streep midden over de stuit. De grijze strandloper (Calidris pusilla) en de alaskastrandloper (Calidris mauri) zijn korter van vleugel — de vleugelpunten reiken niet voorbij de staart — en missen de witte stuitband. De krombekstrandloper (Calidris ferruginea) heeft ook een witte stuit, maar is hoger op de poten, met een lange gelijkmatig gebogen snavel. De bonte strandloper (Calidris alpina) is forser, met een langere gebogen snavel en een donkere middenstreep over de stuit.

Strandlopers, ruiters en snippen vergelijken: snavel, poten, vleugelstreep en stuit

Leefgebied

Hij broedt op natte hoogarctische toendra met een lage begroeiing van gras, mos of dwergstruiken, bij voorkeur op bulten in doorweekte zeggevelden. Op de voorjaarstrek is hij een vogel van het binnenland: ondergelopen weilanden, natte akkers, ondiepe prairiemoerassen en de modderige randen van stuwmeren, vaak ver van zee. In het najaar verschuift hij naar de kust en gebruikt hij slikplaten, kwelders en lagunes om vet te tanken voor de oversteek. Diep water, dichte begroeiing en rotskust komen er niet aan te pas; wat hij nodig heeft is zacht slib waar hij zijn snavel tot aan de basis in kan steken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het broedgebied loopt van de noordkust van Alaska oostwaarts door arctisch Canada tot de noordwestkust van de Hudsonbaai en over de eilanden van Banks tot Devon en Baffin. Overwinteren doet hij in het uiterste zuiden van Zuid-Amerika — Argentinië, Chili, zuidoostelijk Brazilië en de Falklandeilanden — buiten het gidsgebied. De heenweg en de terugweg verschillen sterk: in het voorjaar trekt hij door de Great Plains en het Mississippidal, in het najaar via de Atlantische kust van Canada en New England, van waar hij in één vlucht van soms vierduizend kilometer boven de oceaan naar Zuid-Amerika oversteekt. Op die route passeert een deel van de vogels de Cariben en Bermuda; in het westen van het continent is hij zeldzaam.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem in mei op een ondergelopen weiland in de Great Plains, waar hij tussen de gestreepte strandlopers loopt, en let dan eerst op de lengte: vleugelpunten voorbij de staart en een lange, platte rug. Wacht daarna tot de zwerm opvliegt — de witte band boven de staart maakt in één seconde een eind aan alle twijfel. In het najaar aan de oostkust helpt het geluid het meest: die hoge muizenpiep verraadt hem in een zwerm van honderden.

Staat van instandhouding

Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op ongeveer 1,7 miljoen vogels, maar de Rode Lijst plaatst de soort inmiddels in de categorie kwetsbaar (VU) vanwege een snelle afname. De bedreigingen liggen vooral op de trekroute: het droogleggen van moerassen en het omzetten van natte weiden in akkerland, zowel in Noord-Amerika als in de overwinteringsgebieden op de Argentijnse pampa. Daarbij komt de opwarming van de hoogarctische broedgebieden, die zowel de begroeiing als het tijdstip van het insectenaanbod verschuift. Een vogel die duizenden kilometers achtereen vliegt heeft geen marge: valt één schakel in de keten van pleisterplaatsen weg, dan haalt hij de volgende niet.

Wetenschappelijke naam

Calidris fuscicollis | (Vieillot, 1819)

Vieillot beschreef de soort in 1819 als Tringa fuscicollis; omdat ze later in het geslacht Calidris is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Calidris gaat terug op het Griekse kalidris, een woord waarmee Aristoteles grijze vogels van de waterkant aanduidde; fuscicollis is Latijn voor 'donkerhalzig', van fuscus (donker) en collum (hals). Vieillot baseerde zijn beschrijving niet op een eigen vogel maar op nummer 404 uit het werk van Félix de Azara, en de typelocatie is daarmee Paraguay — een overwinteringsgebied, ver van de toendra. De Nederlandse naam eert Charles Lucien Bonaparte, de vogelkundige die in de negentiende eeuw de Amerikaanse en de Europese vogellijsten met elkaar in overeenstemming bracht.