Alle soorten › Steltloperachtigen › Jagers › Kleine jager

Kleine jager | Stercorarius parasiticus

Parasitic Jaeger | Págalo parásito

De kleine jager is de zeerover van het noorden: een slanke, valkachtige vogel met spitse vleugels die zijn kost verdient door sterns en alken zo lang te achtervolgen tot ze hun vangst loslaten. Hij broedt op de arctische toendra en brengt de rest van het jaar op open zee door, tot ver op het zuidelijk halfrond. Volwassen vogels dragen twee spitse, verlengde middelste staartpennen, en er komt zowel een lichte als een donkere kleurvorm voor.

Kleine jager (Stercorarius parasiticus)
Foto: Donald Macauley — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee zwijgt hij vrijwel altijd; wie hem wil horen moet naar de broedgronden. Daar klinkt een nasaal, katachtig ie-èh dat aan een miauw doet denken, en boven het territorium een gerekt, klagend gejank. Wordt het nest genaderd, dan gaat dat over in een scherp, hakkend kèk-kèk-kèk, terwijl de vogel laag over het hoofd van de indringer scheert. Tijdens de achtervolgingen binnen een kolonie roepen paren elkaar met een hoog, opgewonden gekef aan.

Luister: VluchtroepXC1168673

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · Soppavann, Finland · xeno-canto

Herkenning

Een slanke jager ter grootte van een kokmeeuw, met smalle spitse vleugels en een snelle, wendbare vlucht die eerder aan een valk dan aan een meeuw doet denken. De lichte vorm heeft een donkere pet, geelachtige wangen, een witte onderzijde en meestal een vage grijze borstband; de donkere vorm is egaal roetbruin. Beide vormen tonen een lichte flits aan de basis van de handpennen, doordat een handvol veerschachten wit is. Volwassen vogels dragen twee spitse middelste staartpennen die vijf tot acht centimeter achter de staart uitsteken. Jonge vogels zijn warm bruin en fijn dwars gebandeerd, met korte, stompe staartpunten. Mannetje en vrouwtje zien er gelijk uit; het vrouwtje is iets groter.

Verwarrings­soorten

De middelste jager (Stercorarius pomarinus) is zwaarder gebouwd, met bredere vleugels, een tragere meeuwachtige slag en bij de volwassen vogel middelste staartpennen die tot een gedraaide lepel zijn verbreed. De kleinste jager (S. longicaudus) is slanker en kouder grijs van boven, mist de borstband, heeft maar twee witte veerschachten in de vleugel en lange, dunne staartlinten, en vliegt licht en verend als een stern. De grote jager (S. skua) is fors en tonvormig, egaal bruin, met grote witte vleugelvlekken. Jonge vogels van alle drie lijken op elkaar; ga dan af op de vorm van de staartpunten, de zwaarte van de snavel en de manier van vliegen, en niet op de kleur.

Leefgebied

Broedt op de lage arctische toendra: vochtige zeggevlakten, veenkussens en met dwergstruik begroeide ruggen, vaak dicht bij een sternkolonie of een klif met alken waar hij zijn voedsel kan halen. Ook op kusteilanden en schrale kustheide, tot op zeeniveau. Buiten het broedseizoen leeft hij op open zee, waar hij zich bij visserijvloten en bij groepen jagende sterns ophoudt; het binnenland mijdt hij dan volledig, op een enkele vogel na die over de Grote Meren trekt. Gesloten bos en hooggebergte gebruikt hij niet.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedt rond de hele noordpool: in Noord-Amerika van Alaska door het Canadese noorden tot in Nunavut, Labrador en Noord-Quebec, en langs beide kusten van Groenland. Op trek volgt hij de kustlijnen van de Atlantische en de Grote Oceaan, en in het najaar verschijnen er jaarlijks doortrekkers op de Grote Meren. De winter brengt hij ver buiten het kaartgebied door, op de open oceaan bij Zuid-Amerika, West-Afrika en Australië; die zee is geen kaarteenheid en krijgt daarom geen kleur. Aan de noordoostkant van de Atlantische Oceaan lopen de aantallen terug, omdat de sterns en drieteenmeeuwen waarvan hij leeft zelf slecht broeden.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga in september of oktober op een landtong of een pier aan zee staan en zoek niet naar de jager zelf, maar naar de onrust: een groep sterns die plotseling uiteenstuift, met daaronder één donkere vogel die er één slachtoffer uit kiest. De achtervolging duurt vaak een halve minuut en eindigt in een duikvlucht waarin de buit in de lucht wordt opgevangen. Op de Grote Meren gebeurt in oktober hetzelfde boven de meeuwen bij de havenhoofden.

Staat van instandhouding

De wereldpopulatie wordt op ruim drie miljoen vogels geschat en de soort staat als niet bedreigd (LC) te boek. Regionaal is het beeld minder gerust: aan de noordoostkant van de Atlantische Oceaan, waar de kolonies drieteenmeeuwen en sterns zijn ingestort, zijn de aantallen sinds de jaren negentig sterk gedaald. Voor Noord-Amerika ontbreken goede tellingen, omdat het broedgebied dunbevolkt is en de vogels de rest van het jaar buiten het zicht van welke kust dan ook zitten.

Wetenschappelijke naam

Stercorarius parasiticus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Larus parasiticus, bij de meeuwen; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Stercorarius werd in 1760 ingevoerd door Brisson, naar het Latijnse stercus 'mest': zeelieden meenden dat de vogel de uitwerpselen at die zijn slachtoffers in de vlucht lieten vallen, terwijl het in werkelijkheid om de uitgebraakte vis ging. parasiticus betekent 'parasitisch', naar het Griekse parasitos, iemand die aan andermans tafel eet. Linnaeus gaf als herkomst het gebied binnen de Kreeftskeerkring van Europa, Amerika en Azië; de typelocatie is later beperkt tot de kust van Zweden.