Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Amerikaanse oeverloper

Amerikaanse oeverloper | Actitis macularius

Spotted Sandpiper | Andarríos maculado

De meest verspreide broedende steltloper van het continent: aan bijna elke beek, plas en meeroever van Alaska tot Texas staat er wel een te wippen. In broedkleed is hij de enige steltloper van Noord-Amerika met ronde zwarte vlekken over de hele witte onderzijde. De rollen zijn bij deze soort omgedraaid: het vrouwtje is groter, bezet het territorium en kan achtereenvolgens voor vier mannetjes leggen, die elk zelf broeden en de kuikens grootbrengen.

Amerikaanse oeverloper (Actitis macularius)
Foto: Mykola Swarnyk — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De gewone roep is een helder tweelettergrepig piet-wiet, dat bij het opvliegen overgaat in een snelle reeks wiet-wiet-wiet-wiet die met de vleugelslag mee lijkt te lopen. Het vrouwtje gebruikt in het voorjaar een langere, ratelende reeks om het territorium te verdedigen en mannetjes te lokken. Bij het nest klinkt een zacht, aanhoudend tsjip zodra er iemand te dichtbij komt. Buiten de broedtijd is de roep vaak het eerste teken dat er een langs de oever loopt, want de vogel zelf valt tussen de stenen nauwelijks op.

Luister: VluchtroepXC1176757

Opname: Manuel Grosselet — CC BY-NC-SA 4.0 · San Juan Guelavía, San Juan Guelavía, Oaxaca, Mexico · xeno-canto

Herkenning

In broedkleed olijfbruin met fijne donkere bandjes boven, en wit met ronde zwarte vlekken onder; de snavel is dan oranje met een donkere punt en de poten zijn geelachtig tot vleeskleurig. In winterkleed verdwijnen de vlekken: de onderzijde is dan effen wit, de bovendelen zijn egaal grijsbruin en de snavel is vaal geelbruin. Aan weerszijden van de borst blijft een bruine vlek staan met daartussen een witte wig die tot voor de vleugelbocht omhoog loopt. In de vlucht toont hij een korte, smalle witte vleugelstreep die het lichaam niet bereikt, en hij gaat laag over het water met stijve, ondiepe slagen afgewisseld met korte glijstukken. Lopend wipt hij onafgebroken met het achterlijf, ook als hij stilstaat. Jonge vogels hebben nette lichte en donkere bandjes over de vleugeldekveren.

Verwarrings­soorten

De oeverloper (Actitis hypoleucos) van Eurazië, in westelijk Alaska een gast, heeft grijsgroene in plaats van geelachtige poten, een staart die ver voorbij de vleugelpunten uitsteekt en een witte vleugelstreep die over de hele arm tot aan het lichaam doorloopt. De Amerikaanse bosruiter (Tringa solitaria) heeft een witte oogring, donkere vleugels zonder streep en gebandeerde buitenste staartpennen, en knikt met het hele voorlijf in plaats van met het achterlijf te wippen. De terekruiter (Xenus cinereus) is grijs en heeft oranje poten en een opgewipte snavel. Kijk bij een oeverloper zonder vlekken in het najaar eerst naar de pootkleur en daarna naar hoever de staart voorbij de vleugels steekt.

Strandlopers, ruiters en snippen vergelijken: snavel, poten, vleugelstreep en stuit

Leefgebied

De oever van vrijwel elk water: beken en rivieren met kiezel- of zandbanken, meeroevers, vijvers in parken, spaarbekkens en sloten, van zeeniveau tot boven de boomgrens in de Rocky Mountains. Hij heeft een open strook langs het water nodig om over te lopen, en daarnaast lage begroeiing waarin de kuikens dekking vinden. In de winter schuift hij op naar mangrove, riviermondingen, rotskusten en havens, in Midden- en Zuid-Amerika tot hoog in de bergen. Uitgestrekte kale slikplaten, waar de meeste steltlopers juist samendrommen, gebruikt hij weinig; hij staat bijna altijd alleen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Hij broedt van Alaska en de zuidelijke helft van Canada door bijna de hele Verenigde Staten, met als grootste hiaat de kustvlakte van het zuidoosten. Hij overwintert langs de kust van Californië en in het zuiden van de Verenigde Staten, en verder door heel Mexico, Midden-Amerika en de Caraïben tot in Chili en Argentinië. Hij trekt 's nachts en meestal alleen; de najaarstrek begint al in juli en loopt door tot in oktober, de terugtrek valt in april en mei. De broedvogeltellingen laten over de laatste halve eeuw een geleidelijke afname zien, het sterkst in het oosten.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Loop in mei of juni langs een beek met kiezelbanken en let op een kleine steltloper die met het achterlijf wipt en op stijve vleugels laag over het water wegvliegt. Zie je er twee die elkaar achtervolgen, kijk dan welke de grootste is: dat is het vrouwtje, en zij is degene die het territorium verdedigt. In augustus staan jonge vogels vaak alleen aan de rand van een parkvijver, waar ze zich tot op enkele meters laten benaderen.

Staat van instandhouding

De Rode Lijst voert de soort als niet bedreigd (LC); de broedpopulatie wordt op ongeveer 660.000 vogels geschat. De broedvogeltellingen laten tussen 1966 en 2019 een afname van bijna 1,5 procent per jaar zien, samen ruim de helft van de stand. De oorzaken liggen bij het verdwijnen van natte oevers, het vastleggen van rivieroevers en de waterkwaliteit, met bestrijdingsmiddelen en afspoeling uit landbouw en stad.

Wetenschappelijke naam

Actitis macularius | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Tringa macularia; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Actitis werd in 1811 ingevoerd door Illiger en gaat terug op het Griekse aktites, 'bewoner van de kust'. macularius is Latijn voor 'gevlekt', naar de zwarte vlekken van het broedkleed. Linnaeus gaf als herkomst Europa en Noord-Amerika op; de typelocatie is later vastgelegd op Pennsylvania, naar de afbeelding van Edwards waarop hij zich baseerde.