Alle soorten › Nachtzwaluwachtigen › Nachtzwaluwen › Amerikaanse nachtzwaluw
Amerikaanse nachtzwaluw | Chordeiles minor
Common Nighthawk | Añapero yanqui
De Amerikaanse nachtzwaluw is de vogel die in de schemering met schokkerige, vleermuisachtige slagen boven steden en open land jaagt op insecten, met een witte streep die dwars over de lange, puntige vleugels licht. Ondanks de Engelse naam (Nighthawk, letterlijk nachthavik) is het geen roofvogel maar een nachtzwaluw, meer verwant aan gierzwaluwen dan aan haviken. Zijn nasale roep, vaak vlak boven straten en parkeerterreinen te horen, is voor veel Noord-Amerikanen het geluid van een zomeravond.
Geluid
De roep is een nasaal, zoemend piiirt of beent, meestal in vlucht gegeven en op zomeravonden minutenlang herhaald. Tijdens de balts stort het mannetje zich in een steile duik naar de grond en trekt vlak boven de vloer plotseling op; de lucht die door de gespreide staart- en vleugelveren giert, veroorzaakt dan een diep, bromachtig vroeoem. Overdag is de vogel, rustend op de grond of op een tak, vrijwel altijd stil.
Opname: Trent R. Stanley — CC BY-NC-SA 4.0 · Julian, San Diego County, California, United States · xeno-canto
Herkenning
Een slanke vogel met lange, smalle, sikkelvormige vleugels en een gemêleerd bruingrijs verenkleed dat op boomschors en grind lijkt. Een brede witte band, ongeveer halverwege de vleugel, is in vlucht op grote afstand nog zichtbaar en het beste kenmerk. Het mannetje heeft een witte keelvlek en een witte band aan het eind van de staart; het vrouwtje heeft een roomkleurige keel en mist de staartband. De vlucht is onregelmatig en schokkerig, met korte glijmomenten, anders dan de rechte, snelle vlucht van een gierzwaluw.
Verwarringssoorten
De dwergnachtzwaluw van het zuidwesten is kleiner en tengerder, met een witte vleugelband die dichter bij de vleugelpunt zit, en heeft een zachte, trillende roep in plaats van het nasale geluid van de Amerikaanse nachtzwaluw. Nachtzwaluwen als de whippoorwill hebben ronde, geen puntige vleugels, missen de witte vleugelband en worden vrijwel nooit in vlucht boven open terrein gezien. Op grote afstand in de schemering wordt de soort ook weleens voor een vleermuis aangezien, tot de veel grotere afmeting en de rechte, sikkelvormige vleugels duidelijk worden.
Leefgebied
Open terrein van uiteenlopende aard: prairie, kaalslag, rotsachtige hellingen, zandvlaktes en, in toenemende mate, platte grinddaken in steden en dorpen, waar de vogel op de kale ondergrond een nest maakt zonder ook maar een takje te gebruiken. Hij jaagt in de lucht boven vrijwel elk open landschap, van akkers tot waterplassen tot stadspleinen. Gesloten bos en dicht struweel mijdt hij; de vervanging van grinddaken door rubberen dakbedekking heeft in veel steden broedplekken doen verdwijnen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt over vrijwel het gehele Noord-Amerikaanse continent, van Alaska en Canada tot in Mexico en Midden-Amerika, en trekt in zijn geheel weg naar Zuid-Amerika om te overwinteren — geen enkele vogel blijft in Noord-Amerika achter. De trek gaat in grote groepen, vooral in de nazomer boven steden en langs de Golfkust, op weg naar overwinteringsgebieden tot in Argentinië. In delen van het oosten van het areaal is de soort de afgelopen decennia duidelijk afgenomen.
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Kijk in de schemering boven open terrein, parkeerplaatsen of platte daken naar de schokkerige vlucht en de witte vleugelband, en luister naar de nasale roep. In de vroege zomer is bij valavond ook de brommende duikvlucht van het territoriale mannetje te zien en te horen, vaak boven dezelfde plek herhaald.
Staat van instandhouding
Als broedvogel op veel plekken in het oosten van het areaal duidelijk afgenomen, vooral door het verdwijnen van grinddaken als nestplek en door minder vliegende insecten; elders, vooral in het westen, blijft de soort algemener. Nog altijd wijdverbreid genoeg om als niet bedreigd (LC) te gelden.
Wetenschappelijke naam
Chordeiles minor | (Forster, 1771)
Forster beschreef de soort in 1771 als Caprimulgus minor, in het geslacht van de Europese nachtzwaluw; omdat ze sindsdien in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Chordeiles werd in 1832 ingevoerd door Swainson. minor is Latijn voor 'kleiner', ten opzichte van de Europese nachtzwaluw waarmee Forster de soort vergeleek. Een precieze typelocatie ontbrak; latere auteurs beperkten die tot South Carolina, naar een beschrijving van de natuuronderzoeker Catesby.




