Alle soorten › Zangvogels › Australische boomkruipers › Zwartstaartkruiper

Zwartstaartkruiper | Climacteris melanurus

Black-tailed Treecreeper | Corretroncos colinegro

De zwartstaartkruiper is de boomkruiper van de tropische savanne van Noord-Australië en de grootste en donkerste van het geslacht: een bijna chocoladebruine vogel met een zwarte staart, die in luidruchtige familiegroepjes door het savannebos en langs de kreekbossen trekt. Hij is de opvallendste van de vijf, niet door kleur maar door stem — waar hij voorkomt, hoort men hem voordat men hem ziet.

Zwartstaartkruiper (Climacteris melanurus)
Foto: Djambalawa — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Luid, helder en doordringend, en van alle Australische boomkruipers het krachtigst. De gewone roep is een scherp chip dat in lange, versnellende reeksen wordt afgegeven en overgaat in een klinkende ratel; het draagt in het open savannebos honderden meters. Groepsleden nemen de reeks van elkaar over, zodat het geluid door de bomen lijkt te rollen. In de vroege ochtend is dit een van de vaste stemmen van het noordelijke open bos.

Luister: ZangXC924837

Opname: Louis Masarei — CC BY-NC-SA 4.0 · Gunpowder, Mount Isa City, Queensland, Australia · xeno-canto

Herkenning

Achttien tot twintig centimeter, met afstand de grootste boomkruiper. Het hele verenkleed is donker roetbruin tot chocoladekleurig, met een duidelijk zwarte staart die tegen de rug afsteekt; een lichte wenkbrauwstreep ontbreekt. De man heeft een witte keel en bovenborst, waaronder een grove zwart-met-witte lengtestreping op borst en buik begint. Het vrouwtje heeft roestbruine strepen op de zijkanten van de keel. In de vlucht komt de brede beige vleugelband tevoorschijn die alle kruipers van het geslacht Climacteris delen. De vogel klimt in stevige spiralen langs stam en dikke takken omhoog, gaat geregeld ook op de grond en op liggend hout foerageren, en broedt in boomholtes. In het Pilbaragebied leeft een geïsoleerde, bleker gekleurde ondersoort.

Verwarrings­soorten

Binnen het noordelijke areaal is dit meestal de enige boomkruiper. Waar het contact met de grijze kruiper (Climacteris picumnus) ligt, in het Golfland van noordwestelijk Queensland, is het onderscheid duidelijk zodra men de onderdelen ziet: de grijze kruiper is bleek beige van onderen, heeft een lichte wenkbrauwstreep en een bruine staart, terwijl deze soort donker is, geen wenkbrauwstreep heeft en een zwarte staart draagt. Let wel: de noordelijke ondersoort van de grijze kruiper op Kaap York is zelf donkerrug, dus daar is de staartkleur betrouwbaarder dan de rugkleur. De Australische boomloper (Daphoenositta chrysoptera) deelt hetzelfde savannebos, maar is veel kleiner, klimt ook met de kop naar beneden en heeft een opgewipte snavel.

Leefgebied

Eucalyptussavanne van de moessongordel, met open kronen boven een grasvloer, en vooral de zwaardere boomgordels langs kreken en riviervlakten met rode gomboom, coolibah en melaleuca. Ook droog eucalyptusbos en open bos van de zandsteenplateaus hoort erbij. De soort heeft ruwbastige, oude bomen nodig voor holtes en voedsel; in de savanne zijn dat vaak de bomen langs het water, en de dichtheden zijn daar dan ook het hoogst. De jaarlijkse branden die het grootste deel van deze savanne bestrijken raken de kruidlaag meer dan de bomen, maar hete branden laat in het droge seizoen doden ook oude holtebomen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Noordelijk Australië, van de Kimberley in West-Australië oostwaarts door het Top End van het Noordelijk Territorium tot in het noordwesten van Queensland. Een aparte, geïsoleerde ondersoort houdt stand in de Pilbara, ver ten zuidwesten van het aaneengesloten areaal, langs de bomengordels van de gorges. De soort is standvogel en verplaatst zich niet met het seizoen, al kunnen groepen in de late droge tijd naar de resterende waterlopen verschuiven. Naar het zuiden toe houdt het areaal op waar het savannebos in droger acaciastruweel overgaat.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Loop langs een kreekbos met oude rode gombomen of coolibahs en luister naar de versnellende ratel; dat is in het noorden vrijwel altijd deze soort. Zie je de vogel, kijk dan naar de staart: zwart en contrasterend, ook bij matig licht. De groepen zijn weinig schuw en laten zich tot dichtbij naderen, zodat het geslacht aan de keeltekening af te lezen is. In de late droge tijd concentreren de vogels zich bij de laatste waterplekken, en daar zijn ze dan het best te zien.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). De soort is over het noordelijke savannegebied wijdverspreid en plaatselijk algemeen, en er zijn geen aanwijzingen voor een snelle afname. Wel staat de vogelgemeenschap van de noordelijke savanne als geheel onder druk: veranderde brandregimes met hete branden laat in het droge seizoen, begrazing door vee en verwilderde ezels en paarden, en het verdwijnen van oude holtebomen werken samen in het nadeel van holtebroeders. De geïsoleerde populatie in de Pilbara is klein en van de rest gescheiden, en verdient daarom afzonderlijke aandacht.

Wetenschappelijke naam

Climacteris melanurus | Gould, 1843

John Gould beschreef de soort in 1843 als Climacteris melanura, naar materiaal van de noordwestkust dat later aan Derby is toegeschreven; de uitgang veranderde mee met het grammaticale geslacht dat aan de geslachtsnaam wordt toegekend. Climacteris gaat terug op het Oudgriekse klimax ('ladder'). Het epitheton is gevormd uit melas ('zwart') en oura ('staart'). De Engelse naam Black-tailed Treecreeper, de Spaanse corretroncos colinegro en de Nederlandse zwartstaartkruiper zeggen alle drie hetzelfde en benoemen het kenmerk dat in het veld het snelst werkt.