Alle soorten › Koekoeksvogels › Koekoeken › Vale koekoek
Vale koekoek | Heteroscenes pallidus
Pallid Cuckoo | Cuco pálido
De vale koekoek is de wijdst verspreide koekoek van Australië en tegelijk de bleekste: een slanke, effen grijze vogel van dertig centimeter, donkerder op rug en vleugels, met een gele oogring, een donkere oogstreep en een witte vlek in de nek. Wie in het Australische voorjaar een fluittoon hoort die stap voor stap de toonladder op klimt en maar niet ophoudt, heeft deze vogel te pakken.
Geluid
Een luide, stijgende reeks heldere fluittonen die als een toonladder omhoog kruipt: toe-toe-toe-toe-toe, acht tot tien notities, elk een halve stap hoger, sneller wordend naar het einde, en daarna vrijwel meteen opnieuw. Het mannetje houdt dit uren vol, ook 's nachts, en heeft er in Australië de bijnaam 'brain-fever bird' aan overgehouden. Het vrouwtje antwoordt met een hese, stijgende roep.
Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Achtentwintig tot drieëndertig centimeter, dus ruim twee keer zo lang als de bronskoekoeken, met een slank lijf, spitse vleugels en een lange staart. Het mannetje is effen grijs, donkerder op rug en vleugels, met een bruine, licht gebogen snavel, een opvallend gele oogring, een donkere streep door het oog en een witte vlek op de nek; de onderstaart is breed zwart-wit gebandeerd en is in de vlucht van onderen het beste kenmerk. Het vrouwtje is doorgaans warmer gekleurd, met roestbruine vlekking op de donkere bovendelen. Jonge vogels zijn van boven bont bruin en beige gevlekt met witte nekvlekken, en van onderen grijsbruin gestreept — een heel ander beeld dan de volwassen vogel.
Verwarringssoorten
De boskoekoek (Cuculus optatus), die als zomergast uit Azië naar Noord-Australië komt, lijkt in bouw en formaat sterk op deze soort maar is donkerder grijs en heeft een duidelijke zwart-witte dwarsbandering op onderborst en buik, waar de vale koekoek daar juist effen bleekgrijs is; ook mist hij de witte nekvlek. Een roestbruin vrouwtje van de vale koekoek is het lastigst en kan een hepatische boskoekoek oproepen — let dan op de nekvlek en de effen buik. De waaierstaartkoekoek (Cacomantis flabelliformis) is kleiner (24–28 cm), met warm oranjebruine in plaats van grijze onderdelen en een klagende, dalende triller in plaats van een stijgende toonladder. De sahoelstruikkoekoek (Cacomantis variolosus) is kleiner nog, met een grijze in plaats van gele oogring. In de praktijk beslist het geluid: die stijgende ladder heeft geen tweede in Australië.
Leefgebied
Vrijwel elk open bos en bosland, van eucalyptusbos en mallee (laag, veelstammig eucalyptusstruweel van droog zuidelijk Australië) tot savanne met eucalyptus, en daarnaast ontgonnen en bebouwd open land, weiland, akkerland en boomgaarden met verspreide bomen. Hij jaagt vanaf een vrije, lage tak en laat zich op de grond vallen achter rupsen — vooral behaarde rupsen, die de meeste vogels laten liggen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
De wijdst verspreide koekoek van Australië: over het hele continent aanwezig, inclusief Tasmanië, met een duidelijke verschuiving door het jaar heen. In het zuiden is hij vooral een voorjaars- en zomervogel die na het broedseizoen naar het noorden opschuift, in het tropische noorden is hij juist 's winters talrijker; dat maakt hem binnen het kaartvenster het hele jaar aanwezig, maar zelden op dezelfde plek. In Nieuw-Zeeland is hij een dwaalgast met negen aanvaarde gevallen, het laatste in februari 2021 bij Otakeho in zuidelijk Taranaki.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Rijd in augustus of september langs een boerenweg met verspreide eucalypten en zet de motor af: de stijgende toonladder komt uit de verte aan en leidt je rechtstreeks naar een vogel die kaarsrecht op een paal, een draad of een dode tak zit. Kijk dan van onderen naar de staart; die brede zwart-witte bandering is ook in tegenlicht af te lezen. In de vlucht lijkt hij eerder op een kleine sperwer of een valk dan op een koekoek.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), federaal en in alle Australische deelstaten en territoria als veilig beoordeeld. De soort is een van de weinige koekoeken die van het half open cultuurlandschap eerder profiteert dan lijdt: boerenland met bomenrijen levert precies de uitkijkposten en de waardvogels die hij nodig heeft. Dat hij vooral bij algemene vogels als de tuinwaaierstaart en de zwartkopvliegenvanger legt, maakt hem minder kwetsbaar dan de gespecialiseerde bronskoekoeken.
Wetenschappelijke naam
Heteroscenes pallidus | (Latham, 1801)
Latham beschreef de soort in 1801 in het supplement op zijn Index Ornithologicus — maar dan wel als Columba pallida, want hij hield de vogel op grond van een tekening voor een duif; de typelocatie geldt als Nieuw-Zuid-Wales. Omdat de soort nu in Heteroscenes staat, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het epitheton pallidus is het Latijnse 'bleek'. Het geslacht Heteroscenes is gevormd op het Griekse heteros, 'ander', en skēnē, 'tent, woning', en wordt uitgelegd als 'die in andermans huis woont' — een naam die voor een broedparasiet nauwelijks treffender kan.



