Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Steenloper
Steenloper | Arenaria interpres
Ruddy Turnstone | Vuelvepiedras común
De steenloper is de bonteste steltloper van de kust en de enige die zijn kostje bij elkaar krijgt door stenen en zeewier om te keren. Hij is gedrongen, kort van poot en snavel, met oranjerode poten en een harlekijnpatroon van zwart en wit op kop en borst; in de vlucht valt hij uiteen in een wirwar van witte strepen en vlakken die geen andere vogel hier zo vertoont.
Geluid
De roep is een droge, ratelende, staccato kwetter die snel op en neer gaat: tuk-a-tuk-tuk, met daarnaast een scherp kittik, een helder kiejoe en een trillerig kitietiet, vaak in de vlucht en bij onrust. Het is een hard, klikkend geluid zonder de fluitende ronding van de ruiters, en op een rotsplateau verraadt het een groepje voordat je de vogels tussen het wier hebt gevonden. Bij het opvliegen van een hele groep versmelten de ratels tot een aanhoudend gekletter.
Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · Spurn Bird Observatory, Kilnsea, United Kingdom · xeno-canto
Herkenning
Een gedrongen, middelgrote steltloper van tweeëntwintig tot vierentwintig centimeter en ongeveer honderdvijftien gram, laag op korte oranjerode poten. De snavel is kort, zwart en wigvormig, met een licht opwaarts gerichte punt: een beitel om onder stenen te wrikken, geen priem om mee te prikken. In zomerkleed zijn kop, hals en borst bont zwart-wit getekend en de bovendelen roodbruin met zwarte vlekken, alsof de vogel een schildpadpatroon draagt; in winterkleed wordt dat donker grijsbruin, maar de zwarte borstband en de witte keel blijven. In de vlucht is hij onmiskenbaar: een witte vleugelstreep, een witte baan over de schouder, een witte stuit en een zwarte staartband, samen een bont patroon dat op grote afstand te herkennen is.
Verwarringssoorten
In zomerkleed is verwarring uitgesloten; in winterkleed en op afstand ligt het anders. De Amerikaanse grijze ruiter (Tringa incana) en de Siberische grijze ruiter (Tringa brevipes) delen de rotskust en de korte gele poten, maar zijn egaal grijs zonder wit vluchtpatroon en hebben een langere rechte snavel. De oeverloper (Actitis hypoleucos) is kleiner, egaler en wipt sterker. Onder de strandlopers is alleen de grote kanoet (Calidris tenuirostris) ongeveer even groot, maar die is slanker, langpotiger en heeft een langere rechte snavel zonder oranje poten. In de vlucht is elke twijfel voorbij: geen andere steltloper hier heeft de combinatie van vleugelstreep, schouderbaan, witte stuit en zwarte staartband.
Leefgebied
Hard en rommelig terrein liever dan open slik: rotskusten en droogvallende riffen, koraalplateaus, stranden met aangespoeld wier, golfbrekers, pieren en havenhoofden, en in het noorden ook gewoon intergetijdenslik en zandplaten. Hij werkt daar in kleine groepjes systematisch de vloedlijn af, keert steen voor steen en wierpol voor wierpol om met snavel en soms met de borst, en eet wat eronder tevoorschijn komt: kreeftachtigen, weekdieren, insecten, wormen, en waar de kans zich voordoet ook eieren en aas.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Wijdverbreid langs de hele kust van Australië en de eilanden ervoor, met de grootste aantallen aan rotsige en riffige stukken; de vogels zijn er ongeveer van september tot mei. Nieuw-Zeeland ontvangt er jaarlijks duizend tot drieduizend, met vaste plaatsen als Parengarenga, Kaipara en Manukau Harbour, Tauranga Harbour en het estuarium van Waipu, en zeventig tot vijfhonderd vogels — vooral onvolwassen exemplaren — blijven de zuidelijke winter over. Aankomst is er van augustus tot november, vertrek van maart tot mei. Op Norfolk is hij jaarlijks aanwezig.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Loop bij laagwater een golfbreker of een rotsplateau af en kijk naar de wierlaag in plaats van naar het water: steenlopers zitten met de rug naar je toe tussen het bruinwier en vallen pas op als er iets beweegt. Zodra de groep opvliegt, is het klaar — het bonte patroon van witte strepen en vlakken is bij elke lichtval te zien. Let ook op de poten: op een rotskust zijn oranjerode poten bij een gedrongen vogeltje een determinatie op zichzelf.
Staat van instandhouding
Gevoelig (NT): de soort broedt in een enorme kring rond de hele Arctis, van Groenland en Scandinavië tot Alaska en Canada, maar de wereldstand loopt terug en de Rode Lijst heeft haar daarom uit de categorie 'niet bedreigd' gehaald. Voor de vogels van deze trekweg is het knelpunt hetzelfde als voor de andere steltlopers hier: de intergetijdenslikplaten rond de Gele Zee, waar hij op de heenreis moet bijtanken en waarvan een groot deel is ingepolderd. Daarnaast raken verstoring van rotskusten en het schoonhouden van stranden — het weghalen van aangespoeld zeewier — precies het voedselaanbod waarvan hij in Australazië leeft.
Wetenschappelijke naam
Arenaria interpres | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Tringa interpres, met Gotland in Zweden als typelocatie; door de verplaatsing naar Arenaria staan auteur en jaartal tussen haakjes. De geslachtsnaam komt van het Latijnse arenarius, 'van het zand', bij arena, 'zand'. Het epitheton interpres betekent 'tolk, boodschapper'; Linnaeus dacht aan het Zweedse woord tolk, al betekende dat in het Gotlandse dialect gewoon 'benen'. De Nederlandse naam en het Engelse Turnstone beschrijven allebei precies wat de vogel doet: stenen omkeren. De vogels die Australië en Nieuw-Zeeland bereiken, behoren tot de nominaatvorm interpres.



