Alle soorten › Zangvogels › Nieuw-Zeelandse winterkoningen › Rotswinterkoning

Rotswinterkoning | Xenicus gilviventris

New Zealand Rockwren | Acantisita roquero

De rotswinterkoning is de enige vogel van Nieuw-Zeeland die het hele jaar boven de boomgrens blijft: een bijna staartloos bolletje van nog geen twintig gram dat tussen de blokvelden en rotsspleten van de Zuidelijke Alpen leeft, ook wanneer die onder de sneeuw liggen. Hij is bovendien een levend overblijfsel — samen met de geweervogel de laatste van een vogelfamilie die ouder is dan alle andere zangvogelgroepen ter wereld. Diezelfde soort staat nu als bedreigd te boek, want zijn nest op de grond is weerloos tegen de hermelijnen en muizen die het gebergte hebben bereikt.

Rotswinterkoning (Xenicus gilviventris)
Foto: Adventureforscience — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Zeer hoog, dun en zacht: drie of vier korte, ijle tzit-noten, soms als een kort reeksje achter elkaar. Het geluid gaat in de wind van het hooggebergte gemakkelijk verloren en ligt zo hoog dat oudere oren het niet meer oppikken, wat betekent dat de soort vaak wordt gemist op plaatsen waar hij gewoon aanwezig is. Er is geen uitbundige zang; het meeste wat men hoort zijn contactnoten tussen partners die samen een blokveld afwerken. Wie de toonhoogte eenmaal kent, hoort de vogel eerder dan hij hem ziet, maar het blijft een geluid dat concentratie vraagt.

Luister: RoepXC516109

Opname: Nicholas Allen — CC BY-NC-SA 4.0 · Fiordland National Park, Southland District, Southland, New Zealand · xeno-canto

Herkenning

Negen tot tien centimeter, maar door de vrijwel afwezige staart lijkt het eerder een rond propje dan een vogel. De poten zijn opvallend lang en de tenen groot, en de vogel maakt onophoudelijk een buigende, knikkende beweging waarbij hij door de knieën zakt — dat wippen is op afstand het eerste wat opvalt. Het mannetje is olijfgroen op de bovendelen met heldergele flanken en grijswitte onderdelen; het vrouwtje is doffer en meer olijfbruin, met dezelfde gele flanken. Beide hebben een bleke, gelige wenkbrauwstreep en een fijne, rechte snavel. De vlucht is zwak en fladderend en gaat zelden verder dan enkele tientallen meters; de vogel verplaatst zich liever met sprongen over de stenen en verdwijnt bij gevaar in een spleet.

Verwarrings­soorten

Binnen het alpiene leefgebied is er geen tweede vogel die er zo uitziet. De geweervogel (Acanthisitta chloris), de enige verwant die nog leeft, is nog kleiner en lichter, heeft een korte maar zichtbare staart, wipt met de staart in plaats van door de knieën, en blijft in het bos beneden de boomgrens; de twee soorten ontmoeten elkaar zelden. Een grijsrugbrilvogel (Zosterops lateralis) die op doortrek hoog komt heeft een witte oogring en een normale staart. De uitgestorven bosloper (Xenicus longipes), die tot in de jaren zeventig van de twintigste eeuw nog bestond, leek sterk op deze soort maar leefde in het bos; wie oude waarnemingen beoordeelt, moet daar rekening mee houden. In de praktijk is de combinatie van geen staart, lange poten en het onophoudelijke buigen afdoende.

Leefgebied

Alpiene kruidenvelden en rotsterrein boven de boomgrens, ruwweg tussen negenhonderd en tweeduizend meter, met een voorkeur voor blokvelden, steenpuin en rotsspleten waar lage alpiene struiken en kussenplanten tussen de stenen groeien. De stenen zelf zijn onmisbaar: daar zit de schuilplaats, daar wordt genesteld, en daaronder blijven in de winter holten sneeuwvrij waarin de vogel voedsel zoekt. Terrein dat alleen uit gras of alleen uit kale rots bestaat is te arm; de soort heeft de overgang nodig, waar rots, struik en kruidenveld door elkaar lopen. In de winter trekt de vogel niet weg maar leeft hij in de ruimten onder de sneeuwlaag verder.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Uitsluitend op het Zuidereiland van Nieuw-Zeeland, in de ruggengraat van de Zuidelijke Alpen: van Kahurangi en het noordwesten van Nelson zuidwaarts over de centrale Alpen tot in Fiordland. Er is geen trek en er zijn geen seizoenverplaatsingen van betekenis; hoogstens zakken vogels in zware winters wat lager. De verspreiding is in de loop van de twintigste eeuw uit het noorden en uit de randgebieden teruggetrokken en bestaat nu uit een reeks kernen langs de hoofdketen. Daarnaast zijn er verplaatste populaties op roofdiervrije eilanden in Fiordland, die als verzekering tegen verlies op het vasteland zijn opgezet.

  • Broedvogel (zomer)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek boven de boomgrens op blokvelden en steenhellingen met lage struiken ertussen, en let niet op vliegende vogels maar op beweging tussen de stenen. Ga zitten en wacht: de vogel werkt een blokveld systematisch af en komt vanzelf weer tevoorschijn, vaak veel dichterbij dan verwacht. Het knikkende, buigende wippen is op vijftig meter al herkenbaar, ook als de kleur nog niet te zien is. Omdat het geluid zo hoog en zacht is, loont het om op een windstille plek achter een rotsblok te gaan zitten in plaats van door te lopen.

Staat van instandhouding

Bedreigd (EN), en in de Nieuw-Zeelandse nationale bedreigingslijst in de hoogste categorieën van de bedreigde soorten geplaatst. De oorzaak is enkelvoudig en goed begrepen: de vogel nestelt in een gesloten nest in een rotsspleet of onder een steen, broedt lang en verlaat het nest zelden, en is daarmee een gemakkelijke prooi voor hermelijnen en ratten. Muizen zijn een tweede en onderschat probleem; na een zaadrijk beukenjaar volgt een explosie van muizen en daarna van hermelijnen tot boven de boomgrens, en juist in die jaren gaan hele broedsels verloren. Het beheer bestaat uit grootschalige predatorbestrijding met vallen en met uitstrooiing in de sleutelgebieden, en uit het overbrengen van vogels naar roofdiervrije eilanden in Fiordland, waar zich inmiddels populaties hebben gevestigd. Daarnaast speelt op lange termijn de opschuivende boomgrens onder een warmer klimaat, die het alpiene leefgebied van onderaf verkleint.

Wetenschappelijke naam

Xenicus gilviventris | Pelzeln, 1867

August von Pelzeln beschreef de soort in 1867 naar materiaal uit de bergen van het Zuidereiland. De geslachtsnaam Xenicus gaat terug op het Oudgriekse xenikos ('vreemd, uitheems'), een naam die de negentiende-eeuwse ornithologen gaven aan vogels die zich nergens lieten inpassen — en dat was raak, want de familie Acanthisittidae, de Nieuw-Zeelandse winterkoninkjes, blijkt de tak te zijn die zich als eerste van alle zangvogels afsplitste, nog vóór de scheiding tussen de zangers in engere zin en de schreeuwvogels. Van die hele oude lijn zijn nog twee soorten over: deze en de geweervogel (Acanthisitta chloris); de bosloper (Xenicus longipes) verdween in de twintigste eeuw en Lyalls winterkoning (Traversia lyalli) al aan het eind van de negentiende. Het epitheton gilviventris is gevormd uit het Latijnse gilvus ('bleekgeel') en venter ('buik'). De Engelse naam New Zealand Rockwren, de Spaanse acantisita roquero en de Nederlandse rotswinterkoning kiezen alle drie het rotsterrein; het woord winterkoning is daarbij een gelijkenis en geen verwantschap, want met de Europese winterkoning heeft deze vogel niets te maken.