Alle soorten › Papegaaiachtigen › Halsbandparkieten › Rotsparkiet

Rotsparkiet | Neophema petrophila

Rock Parrot | Periquito roquero

De rotsparkiet is de kustvogel onder de grasparkieten: een dof olijfbruine parkiet die vrijwel nooit meer dan een paar honderd meter van de zee te vinden is, en die op kale rotskust, duinen en eilandjes voor de zuid- en westkust van Australië leeft. Hij broedt niet in een boomholte zoals zijn verwanten, maar onder een steen of in een spleet — het kenmerk waar zijn naam op zinspeelt.

Rotsparkiet (Neophema petrophila)
Foto: pimelea — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een tweelettergrepig, zoemend-zingend contactgeluid dat hij in de vlucht en bij het foerageren laat horen, kort te schrijven als tsi-tsit. De alarmroep is dezelfde noot maar duidelijk harder en scherper, en boven de branding draagt hij ver. Groepjes die van de kwelder opvliegen ratelen even door elkaar en zwijgen dan weer. De stem is minder ijl dan die van de blauwvleugelparkiet en minder helder dan die van de prachtparkiet.

Luister: VluchtroepXC943939

Opname: JACOB Hervé — CC BY-SA 4.0 · Deepdene, Shire of Augusta Margaret River, Western Australia, Australia · xeno-canto

Herkenning

Een gedrongen parkiet van zo'n tweeëntwintig tot vierentwintig centimeter met een korte staart, en met zo'n 50 tot 60 gram de zwaarste van de grasparkieten; de spanwijdte is 33 tot 34 centimeter. De bovendelen zijn dof olijfbruin — geen enkele andere soort in de groep is zo kleurloos — en de onderdelen zijn vaal geelgroen, zonder oranje op de buik. De kop is waar hij zich verraadt: over het bovenste deel van het voorhoofd loopt een donkerblauwe band tussen de ogen, boven afgezet met een dunne lichtblauwe lijn, en daaronder ligt een dikkere lichtblauwe band; bovendien zijn de teugels en de voorwangen lichtblauw, zodat het hele voorste deel van het gezicht blauw oogt in plaats van alleen een streep. De opgevouwen vleugel toont een tweetonig blauwe voorrand, de staart is turkoois met gele randen. Bij het vrouwtje is het donkerblauw iets doffer en is er minder blauw in het gezicht. De snavel is zwart, het oog donkerbruin, poten en voeten donkergrijs.

Verwarrings­soorten

De blauwvleugelparkiet (Neophema chrysostoma) overwintert in dezelfde kustkwelders van Zuid-Australië en is dan de belangrijkste verwisseling: die is groener en minder bruin, heeft alleen een smalle blauwe band over het voorhoofd en geen blauw over de wangen, maar heeft wél een breed donkerblauw paneel over de hele opgevouwen vleugel, waar deze soort slechts een smalle voorrand toont. De prachtparkiet (Neophema elegans) is veel warmer goudgeelgroen, heeft een oranje buikvlek en zit landinwaarts in graanland in plaats van op de rotskust. De oranjebuikparkiet (Neophema chrysogaster) is fel grasgroen met een ronde oranje buikvlek en komt aan deze kusten niet voor. Het beslissende argument is meestal de plaats: een dof, bruinig grasparkietje op kaal rotsplateau vlak boven de vloedlijn is vrijwel altijd deze soort.

Leefgebied

Kale rotsgrond, rotskust en zeekliffen, en lage kustvegetatie van hardnekkige zoutplanten: zeevijg, saltbush (zoutminnend dwergstruweel van zoute vlakten) en samphire (laag, vlezig zoutmoerasstruweel op getijdenslib). Hij komt tot aan de vloedlijn en zoekt zijn voedsel op het naakte gesteente en tussen de kustkruiden, en gebruikt daarnaast zandstrand, duinvoet en de randen van estuaria en kustlagunes. Broeden doet hij onder rotsblokken, in spleten en in holen, vaak op roofdiervrije eilandjes, van augustus tot december; het legsel is drie tot zes witte eieren, het broeden duurt achttien tot eenentwintig dagen en de jongen vliegen rond dertig dagen uit.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

De zuid- en westkust van Australië en de eilanden ervoor. In Zuid-Australië van Lake Alexandrina westwaarts, langs Gulf St Vincent, het Yorke-schiereiland, Kangaroo Island, de Gambier-eilanden en het Eyre-schiereiland. In West-Australië van het Eyre Bird Observatory in het oosten langs de hele zuid- en westkust tot Jurien Bay, met belangrijke eilandpopulaties op Rottnest Island, in de Recherche-archipel en op Eclipse Island. Hij is aan de kustlijn gebonden en komt niet landinwaarts, niet in Tasmanië, niet in Nieuw-Zeeland en niet op Norfolkeiland.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem lopend over een kaal rotsplateau of een kwelderrandje aan de zuidkust, bij voorkeur vroeg op de dag; hij vliegt pas laat op en gaat dan met een snelle, lage vlucht een eindje verderop weer zitten. Op Rottnest Island en in de Recherche-archipel is hij met een boottocht vrij eenvoudig te zien. Let bij elke waarneming van een grasparkiet op de kust op de gezichtstekening — het uitgebreide lichtblauw over teugels en wangen is het kenmerk dat ook zonder telescoop werkt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), maar met een afnemende wereldpopulatie, en hij staat op Bijlage II van CITES zoals alle papegaaiachtigen. Het areaal is lang en smal en ligt precies waar de druk het grootst is: kustbebouwing, recreatie en betreding van broedplaatsen op het vasteland. De grootste bedreiging vormen verwilderde katten en vossen, die de op de grond gelegen nesten eenvoudig bereiken — vandaar dat de dichtste populaties op roofdiervrije eilandjes zitten. Daarnaast raakt de zeespiegelstijging hem direct, omdat nesten onder rotsblokken vlak boven de vloedlijn bij zware storm onderlopen. De eilandpopulaties zijn daardoor niet alleen het bolwerk maar ook de graadmeter van de soort.

Wetenschappelijke naam

Neophema petrophila | (Gould, 1841)

Gould beschreef de soort in 1841, naar materiaal van de eilanden voor de kust van West-Australië; auteur en jaartal staan tussen haakjes omdat hij haar oorspronkelijk niet in het huidige geslacht plaatste. Het epitheton is gevormd uit het Griekse petra 'rots' en philos 'liefhebbend', dus 'rotsminnend' — een verwijzing naar zowel de broedplaats als de biotoop, en de bron van de Nederlandse, Engelse en Spaanse gidsnaam. Het geslacht Neophema werd in 1891 ingevoerd door Salvadori en betekent 'de nieuwe Euphema'. Er worden twee ondersoorten onderscheiden.