Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Rosse plevier
Rosse plevier | Anarhynchus obscurus
New Zealand Plover | Chorlito maorí de Isla Sur
De rosse plevier is de grootste en zwaarste plevier van Nieuw-Zeeland en een van de endemische plevieren daar: een gedrongen vogel van vijfentwintig centimeter met een grote ronde kop, grote donkere ogen, een zware zwarte snavel en grijze poten. Vanaf de late herfst kleurt de onderzijde warm oranjerood, en dan is hij op een leeg strand van ver te herkennen. Van de twee vormen houdt de noordelijke stand zich met veel moeite staande; de zuidelijke, op Stewarteiland, is tot ruim honderd vogels geslonken.
Geluid
De gewone roep is een scherp, doordringend tsjip, dat een verstoorde vogel eindeloos herhaalt en dat over een heel strand draagt. Voor de kuikens klinkt een hoog, ijl tsiep, het waarschuwingssignaal waarop ze zich plat op het zand laten vallen. Tegen indringers en buurvogels gaat het over in een ratelend tsjurr, en bij grensruzies klinkt een kort, bits werr-wit. Een paar dat opvliegt roept aanhoudend door.
Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een forse, zware plevier van vijfentwintig centimeter en rond de honderdvijftig gram, met een opvallend grote, ronde kop, grote donkere ogen, een dikke zwarte snavel en betrekkelijk lange grijze poten. De bovendelen zijn bruin met lichte veerzomen, bij de zuidelijke vogels donkerder dan bij de noordelijke. De onderzijde is in de zomer en de vroege herfst vuilwit en kleurt vanaf mei door tot een warm oranjerood over borst en buik, bij het mannetje dieper dan bij het vrouwtje. Jonge vogels zijn schubbig getekend en missen het rood volledig. In de vlucht valt een witte vleugelstreep op; de vogel rent in korte spurts en staat daartussen kaarsrecht stil, met de zware kop opvallend hoog.
Verwarringssoorten
De dubbelbandplevier (Anarhynchus bicinctus) staat vaak in dezelfde groep en is de eerste toets: die is met twintig centimeter merkbaar kleiner en slanker, heeft een korte dunne snavel, olijfgele poten en in broedkleed twee scherp begrensde borstbanden, terwijl deze soort een grijspotige, zwaarsnavelige vogel is met een egaal doorlopend rood zonder banden. De woestijnplevier (Anarhynchus leschenaultii), in Nieuw-Zeeland een zeldzame gast, is slanker, kleiner van kop en langer en bleker van poot. De scheefsnavelplevier (Anarhynchus frontalis) is klein, effen blauwgrijs van boven en heeft de naar rechts gebogen snavel. Uit het Thinornis-groepje zijn de Nieuw-Zeelandse plevier (Thinornis novaeseelandiae) en de zwartkopplevier (Thinornis cucullatus) meteen af te strepen op hun zwarte kap of masker en hun oranjerode snavel. Buiten de plevieren lijkt de Aziatische goudplevier (Pluvialis fulva) in formaat en in de goudbruine tint nog het meest op deze soort, maar die is fijner van snavel, gespikkeld goud op de rug en staat rechter en slanker.
Leefgebied
De noordelijke vogels broeden op zandstranden, duinvoeten, schelpenbanken en zandspits bij estuariummondingen, en foerageren op de aangrenzende wadplaten en slikken. De zuidelijke vogels doen iets wat geen andere plevier ter wereld doet: zij broeden hoog in de kale kruidenvelden en op de winderige, met tussock (grasland van losse, hoge polvormende grassen, vooral in Nieuw-Zeeland) begroeide bergtoppen van Stewarteiland, kilometers landinwaarts en honderden meters boven zee, en zakken pas na de broedtijd af naar de kust. Buiten de broedtijd is het in beide gevallen een vogel van estuaria, zandplaten en havens.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
De noordelijke vorm bewoont de kust van het noorden van het Noordereiland, met het zwaartepunt op de oostkust van Northland, Auckland, Coromandel en de Bay of Plenty en op de bijbehorende eilandjes; kleine aantallen reiken zuidwaarts tot Hawke's Bay en Taranaki. De zuidelijke vorm broedt tegenwoordig uitsluitend op Stewarteiland en overwintert op de kusten en estuaria van het uiterste zuiden van het Zuidereiland, zoals Awarua Bay en de riviermonding bij Invercargill; van het Zuidereiland zelf als broedvogel is ze rond 1900 verdwenen. Buiten Nieuw-Zeeland komt de soort niet voor; Australische meldingen betreffen hoogst uitzonderlijke dwaalgasten.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Loop in het noorden van het Noordereiland tussen november en februari een breed zandstrand of een estuariummond af en zoek naar een grote, zwaargebouwde plevier die stil naar je staat te kijken in plaats van weg te rennen — dat is bijna altijd deze soort. Zie je een paar dat aanhoudend roept en om je heen blijft draaien, loop dan onmiddellijk terug naar de waterlijn: je staat dan bij een nest of een kuiken. Kom in mei of juni terug als je het volle oranjerood wilt zien, want in de zuidelijke zomer is de onderzijde juist bleek.
Staat van instandhouding
Ernstig bedreigd (CR). Die categorie geldt voor de zuidelijke vorm, die de Rode Lijst van de IUCN als aparte soort beoordeelt en die uitsluitend op Stewarteiland broedt: in april 2024 werden er nog honderdeneen vogels geteld, en hoewel de soort twintig tot vijfentwintig jaar oud kan worden ligt de gemiddelde levensverwachting daar onder de vijf jaar, doordat verwilderde katten de nesten op de open bergtoppen leeghalen. De noordelijke vorm staat er beter voor: door jarenlang beheer van broedstranden — afzettingen, vallen, vrijwilligers bij de nesten — is die van ongeveer dertienhonderd vogels in 1989 teruggeklommen tot ruim vijfentwintighonderd nu, al blijft ook die volledig afhankelijk van dat beheer. Voor beide vormen spelen verstoring door strandverkeer en loslopende honden en het wegspoelen van nesten bij stormvloed een hoofdrol.
Wetenschappelijke naam
Anarhynchus obscurus | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 in de dertiende uitgave van het Systema Naturae als Charadrius obscurus, naar de 'Dusky Plover' die Latham vier jaar eerder had beschreven; omdat ze nu in Anarhynchus wordt geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. obscurus is Latijn voor 'donker' of 'schemerig', en de typelocatie sluit daar aardig bij aan: Dusky Sound aan de zuidwestkust van het Zuidereiland. De soort telt twee ondersoorten, de noordelijke aquilonius en de nominaatvorm obscurus van Stewarteiland. De Maori-naam is tuturiwhatu.



