Alle soorten › Zangvogels › Doornsnavels en verwanten › Roodstaartdoornsnavel

Roodstaartdoornsnavel | Acanthiza uropygialis

Chestnut-rumped Thornbill | Acantiza culirroja

De roodstaartdoornsnavel is de bleekste van de vier binnenlandse doornsnavels met een rossige stuit, en de enige met een wit oog — één blik op die iris beslist de determinatie. Hij is bovendien de enige doornsnavel die in boomholten broedt in plaats van in een zelfgebouwde koepel in een struik, en dat maakt hem afhankelijk van oude bomen met holten.

Roodstaartdoornsnavel (Acanthiza uropygialis)
Foto: JJ Harrison — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een lang, doordringend getjilp vanuit de boomtoppen, en tijdens het foerageren een zacht, herhaald tjirpje waarmee een groepje contact houdt. De soort imiteert geregeld andere vogels. Het geluid is minder muzikaal dan het tinkelende liedje van de geelstuitdoornsnavel en klinkt eerder monotoon dan zangerig.

Luister: ZangXC924282

Opname: Louis Masarei — CC BY-NC-SA 4.0 · Cosmo Newbery, Shire of Laverton, Western Australia, Australia · xeno-canto

Herkenning

Negen tot elf centimeter, bleek en effen grijsbruin van boven, met een rijk kastanjebruine stuit die scherp tegen die bleke rug afsteekt, en een overwegend zwarte staart met bleke punten. De iris is wit tot crèmekleurig en is het beslissende kenmerk. Het gezicht is grijs gespikkeld met een witte schubbening, de kruin heeft een rossige zweem en de snavel is scherp en grijszwart, net als de poten. De onderdelen zijn bleek en ongestreept.

Verwarrings­soorten

Drie andere doornsnavels dragen een rossige stuit en alle drie hebben een rode tot roodbruine iris in plaats van een witte: de roodstuitdoornsnavel (Acanthiza apicalis), die bovendien een duidelijk gestreepte keel en borst heeft en de langere staart vrijwel voortdurend opwipt; de grijsrugdoornsnavel (Acanthiza robustirostris), met leigrijze in plaats van bleek grijsbruine bovendelen en een zwaardere snavel; en de bruine doornsnavel (Acanthiza pusilla), die warmer bruin is en het droge binnenlandse open bos mijdt. De mulgadoornsnavel (Acanthiza iredalei) heeft eveneens een bleke iris maar slechts een olijfgele zweem bij de staartbasis en zit in boomloze samphire (laag, vlezig zoutmoerasstruweel op getijdenslib). De vaalstuitdoornsnavel (Acanthiza reguloides) heeft ook een bleke iris, maar een vaalgele stuit en een oostelijk areaal dat maar weinig met dat van deze soort overlapt.

Leefgebied

Droog open bos en begroeid grasland van het binnenland, vooral waar mulga (acaciastruweel van het droge binnenland, gedomineerd door Acacia aneura) en mallee-eucalyptus de toon zetten, en verder open veehoudersland en vlakten met saltbush (zoutminnend dwergstruweel van zoute vlakten) en bluebush (blauwgrijs zoutstruweel van het halfwoestijnachtige binnenland). Hij foerageert veelzijdig: in het gebladerte, langs takken, onder loszittende bast, in omgevallen bomen en ook op de grond. Het voedsel bestaat overwegend uit insecten, met af en toe zaad. Hij broedt coöperatief, met helpers bij het nest, en legt twee tot vier eieren in een holte van een boom of een boomstronk, gevoerd met droog gras, bast, mos, korstmos en veren; de eieren worden ongeveer negentien dagen bebroed en de jongen zitten veertien tot eenentwintig dagen op het nest.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Endemisch op het Australische vasteland, ten westen van het Groot Australisch Scheidingsgebergte: van zuidelijk Queensland en westelijk Nieuw-Zuid-Wales door Victoria — vooral de Mallee (laag, veelstammig eucalyptusstruweel van droog zuidelijk Australië) — en Zuid-Australië ten westen van het Yorke-schiereiland tot in zuidelijk West-Australië, waar hij de kuststreken en de natte zuidwesthoek mijdt. Hij ontbreekt in het verre noorden. De soort is overwegend standvogel en blijft het jaar rond in hetzelfde gebied, al leggen enkelingen soms grote afstanden af. Hij is meestal in kleine troepjes of met z'n tweeën of drieën te zien.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek in mulga en open mallee-bos met oude bomen en let op het oog. Het is de moeite waard om te wachten tot een vogel even stilzit in goed licht: wit oog is deze soort, rood oog is de roodstuit- of de grijsrugdoornsnavel. Een tweede aanwijzing is gedrag bij het nest: een doornsnavel die in of uit een holte in een dode tak schiet, kan in dit gezelschap alleen deze soort zijn, want alle andere bouwen een koepelnest in een struik.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), maar hij staat op de lijsten van achteruitgaande bosvogels van het binnenland. Het rooien van open bos, overbegrazing en het verlies van oude bomen met holten verkleinen zowel het voedselaanbod als het aantal nestplaatsen; juist de afhankelijkheid van holten maakt hem gevoeliger dan zijn verwanten, die overal een nest kunnen bouwen. In grote, aaneengesloten mulga- en malleegebieden is hij nog algemeen.

Wetenschappelijke naam

Acanthiza uropygialis | Gould, 1838

John Gould beschreef de soort in 1838. Het epitheton uropygialis komt van het middeleeuws-Latijnse uropygium, 'stuit', en wijst op de kastanjebruine stuit — hetzelfde kenmerk dat de Engelse naam Chestnut-rumped Thornbill en de Spaanse naam acantiza culirroja kiezen. De Nederlandse naam roodstaartdoornsnavel wijst naar de staart, terwijl het juist de stuit is die rossig is: de staart is grotendeels zwart met bleke punten. De naam is daarmee misleidend.