Alle soorten › Papegaaiachtigen › Halsbandparkieten › Roodhalsregenbooglori

Roodhalsregenbooglori | Trichoglossus rubritorquis

Red-collared Lorikeet | Lori cuellirrojo

De roodhalsregenbooglori is de regenbooglori van tropisch Noord-Australië: een grote, felgekleurde lori met een donkerblauwe kop, een brede oranjerode kraag in de nek en een zwarte buik. Hij is in Darwin en in het Kimberley-gebied een van de talrijkste en luidruchtigste vogels, en tot 1997 werd hij nog als ondersoort van de regenbooglori gevoerd.

Roodhalsregenbooglori (Trichoglossus rubritorquis)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een schel, rollend gekrijs dat in de vlucht onafgebroken wordt uitgestoten, praktisch niet te scheiden van dat van de regenbooglori: een hard kwiet-kwiet met daartussen langgerekte, schorre schreeuwen. Op de slaapplaats, vaak een rij palmen of mango's midden in een stad, verzamelen zich honderden vogels tot een oorverdovend, aanzwellend koor in het laatste halfuur voor donker. Foeragerend klinkt zacht, hoog gekeuvel en geknerp.

Luister: VluchtroepXC640483

Opname: James Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · Charles Darwin University, Darwin Municipality, Northern Territory, Australia · xeno-canto

Herkenning

Zesentwintig tot eenendertig centimeter en honderd tot honderdveertig gram, met een spitse staart en een felrode snavel. De kop is donker violetblauw met fijne lichtblauwe schachtstrepen; daarachter ligt de sleutel tot de soort: een brede oranjerode kraag over de nek, aan de onderrand zwart geschubd, en daaronder een donkerblauwe basis van de achterhals. De borst is helder oranjerood, de buik zwart tot zeer donker, de anaalstreek groen met geel geschubd en de ondervleugeldekveren rood. Groen op mantel, vleugels en staart. Man en vrouw zijn gelijk; jonge vogels zijn doffer en hebben een bruinzwarte snavel.

Verwarrings­soorten

Dit is de belangrijkste verwarring van de hele lorigroep: de regenbooglori (Trichoglossus moluccanus) is even groot en vrijwel gelijk gebouwd, maar heeft een groengele in plaats van oranjerode nekband en een diep blauwpaarse in plaats van zwarte buik, en zijn borst is meer blauwzwart gebandeerd. De twee raken elkaar rond de Golf van Carpentaria en in het noordwesten van Queensland, waar tussenvormen met een deels rode, deels gele kraag voorkomen — in die contactzone is niet elke vogel te benoemen. De veelkleurige lori (Psitteuteles versicolor) deelt zijn hele areaal maar is nauwelijks meer dan half zo lang, groen met gele streepjes en met een rode kruin in plaats van een blauwe kop. De schubbenlori (Trichoglossus chlorolepidotus) komt hier niet voor.

Leefgebied

Eucalyptussavanne en open tropisch bos vormen de kern, met de bloei van de Darwin woollybutt en de Darwin stringybark (eucalyptus met lange, vezelige schorsstroken) als jaarlijks hoogtepunt. Daarnaast gebruikt hij moessonbos en lianenstruweel, galerijbos langs kreken, bloeiende melaleucamoerassen en de rand van mangrove. In Darwin, Katherine, Kununurra en Broome is hij een gewone vogel van straten, parken en tuinen, waar hij op bloeiende Afrikaanse tulpenbomen, kokospalmen en mango's af komt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Tropisch Noord-Australië: van King Sound en het Kimberley-gebied in West-Australië door het Top End van het Noordelijk Territorium tot aan de Golf van Carpentaria en het noordwesten van Queensland. De zuidgrens loopt ruwweg van de zuidpunt van de Golf naar de bovenloop van de Fitzroy. Hij trekt niet, maar zwerft over honderden kilometers achter de bloei aan, zodat het aantal in één stad per seizoen sterk wisselt. Aan de oostzijde van zijn areaal grenst hij aan de regenbooglori.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga in Darwin een halfuur voor zonsondergang bij een rij straatpalmen staan: de vogels komen dan in groepen van tientallen op de slaapplaats af, en op dat moment zie je van onderaf precies wat je nodig hebt — de rode ondervleugel en de zwarte buik. Kijk bij elke lori eerst naar de nek: het brede oranjerode vlak is ook bij matig licht direct te zien. Reis je langs de Golf van Carpentaria, noteer dan bij twijfel de kleur van de kraag én de buik, want daar is de kruising met de regenbooglori een reële mogelijkheid.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC): de soort is in het noorden algemeen tot zeer algemeen en heeft van de stedelijke aanplant van bloeiende bomen juist geprofiteerd, zodat Darwin een van de dichtste populaties draagt. Wel treft de veranderde brandhuishouding in de savanne de oude, holtenrijke eucalypten waarin hij broedt: te frequente en te hete branden laten minder holtebomen staan. Verder gaan lokaal vogels verloren door aanrijdingen en door de illegale vangst voor de kooivogelhandel, waarvoor de felle kleuren hem aantrekkelijk maken.

Wetenschappelijke naam

Trichoglossus rubritorquis | Vigors & Horsfield, 1827

Vigors en Horsfield beschreven de vogel in 1827 als Trichoglossus rubritorquis, in de Transactions of the Linnean Society of London; hij staat nog steeds in dat geslacht, zodat auteurs en jaartal zonder haakjes blijven. De typelocatie staat als 'Australië' en werd door Mathews nader op Derby in Noordwest-Australië gesteld. Het epitheton komt uit het Latijn: ruber, 'rood', en torquis, 'halsring' — precies het kenmerk waarop je hem determineert. Het geslacht Trichoglossus werd in 1826 ingevoerd door Stephens, uit het Griekse thrix, trikhos, 'haar', en glōssa, 'tong'. Tot 1997 gold de vogel als ondersoort van de regenbooglori; onderzoek aan mitochondriaal cytochroom b gaf hem soortstatus, die deze gids handhaaft.