Alle soorten › Zangvogels › Honingeters › Purperteugelhoningeter

Purperteugelhoningeter | Lichenostomus cratitius

Purple-gaped Honeyeater | Mielero de boqueras

De purperteugelhoningeter is de malleevogel onder de honingeters: een grijsolijf vogeltje van de lage, veelstammige eucalypten van halfdroog zuidelijk Australië, dat zich laat kennen aan een smalle strook paarse kale huid langs de gaap. Dat paars is het enige werkelijk onderscheidende kenmerk in een groep waarin alles olijfgroen en geelgrijs is, en het is bovendien niet altijd goed zichtbaar. Samen met de geelpluimhoningeter is hij de laatste soort die de naam Lichenostomus nog draagt.

Purperteugelhoningeter (Lichenostomus cratitius)
Foto: JJ Harrison ( https://www.jjharrison.com.au/ ) — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Hij zingt het liefst voor zonsopgang, vanaf een uitstekende tak boven de mallee (laag, veelstammig eucalyptusstruweel van droog zuidelijk Australië). De zang is een heldere, herhaalde reeks die vaak als toe-wiet toe-wiet toe-wiet wordt weergegeven en die wordt gevolgd door een hogere, scherpere serie jep-jep-jep. Daarbuiten klinken korte contactroepen tussen vogels van een groepje. Omdat de mallee laag en dicht is en de vogel er gemakkelijk in verdwijnt, is die vroege zang vaak de betrouwbaarste manier om vast te stellen dat hij ergens zit.

Luister: RoepXC750847

Opname: Eddy Smith — CC BY-NC-SA 4.0 · Monarto South, South Australia, Australia · xeno-canto

Herkenning

Een honingeter van zestien tot negentien centimeter, grijsolijf op rug en vleugels en bleek geelbeige op de onderdelen. De kop draagt een zwarte oogstreep, daaronder een gele streep over de keelzijde, en aan het eind van de oordekveren een puntige gele oorvlek met een zwarte rand. Het kenmerk waar de soort naar heet, is de smalle strook kale huid langs de gaap, die bij volwassen vogels helderpaars tot lila is; bij jonge vogels en bij vogels buiten de broedtijd is die veel doffer en soms nauwelijks te zien. Jonge vogels zijn over het geheel bruiner en valer getekend. De vogels van Kangaroo Island zijn groter en donkerder dan die van het vasteland.

Verwarrings­soorten

Hij hoort thuis in het oude Lichenostomus-vraagstuk en moet vooral van zijn eigen geslachtsgenoot worden gescheiden. De geelpluimhoningeter (Lichenostomus melanops) heeft een helder geel voorhoofd, gele kruin en gele keel en een glanzend zwart masker, en leeft veel verder naar het oosten in natter eucalyptusbos. De geelmaskerhoningeter (Caligavis chrysops) heeft één smalle gele maskerstreep over het gezicht en geen paars langs de gaap. De malleehoningeter (Ptilotula ornata) deelt de mallee met hem en lijkt in bouw en kleur sterk op hem, maar is kleiner, heeft een zwart-en-gele halspluim en mist de paarse gaap volledig; waar beide in dezelfde struik zitten is dat het onderscheid dat telt. De witoorhoningeter (Nesoptilotis leucotis) heeft een zwarte kop met een grote witte oorvlek, en de bontbekhoningeter (Bolemoreus frenatus) en de eungellahoningeter (Bolemoreus hindwoodi) komen in een heel ander deel van Australië voor. Wees eerlijk over de beperking: bij doffe, versleten vogels is het paars soms niet vast te stellen en blijft alleen de kopstreping over.

Leefgebied

Mallee is het kerngebied — lage eucalypten die met een bundel stammen uit een ondergrondse knol opschieten — met daarnaast hoge heide, kwongan (soortenrijk heideachtig struweel van zuidwestelijk Australië) en droog eucalyptusbos en open bos met een heideachtige onderlaag. Hij eet nectar en insecten van bloeiende eucalypten en banksia's, zoekt onder bast naar prooi en vangt ook vliegende insecten in de lucht. Meestal is hij in paren of groepjes van drie tot acht vogels, af en toe in losse gezelschappen tot dertig. Hij drinkt en badet regelmatig, vooral in warm weer, wat hem bij drinkplaatsen zichtbaar maakt. Ondanks ver uit elkaar liggende deelpopulaties is de genetische variatie in de soort opvallend klein.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Halfdroog zuidelijk Australië, in twee grote delen: het zuidwesten van West-Australië en een oostelijk gebied over de malleegordel van Zuid-Australië, noordwestelijk Victoria en het uiterste zuidwesten van Nieuw-Zuid-Wales, waar de noordoostgrens van het areaal ligt. Kangaroo Island heeft een eigen, grotere en donkerder vorm. Het gebied is opgedeeld in losse populaties, omdat de mallee zelf over grote afstanden is versnipperd. Hij is standvogel en verplaatst zich weinig. In Nieuw-Zeeland komt hij niet voor.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Sta vóór zonsopgang stil aan de rand van een stuk oude mallee en wacht op de heldere, herhaalde reeks vanaf een uitstekende tak; dat is verreweg de zekerste manier om hem te vinden. Zoek hem overdag bij een drinkplaats of een veedam, want hij drinkt en badet vaak. Als de vogel in beeld is, kijk dan recht op de snavelbasis: het smalle paarse strookje langs de gaap is het beslissende kenmerk, maar het vraagt om goed licht en een vogel in verse veer. Lukt dat niet, gebruik dan de puntige, zwart omrande gele oorvlek om hem van de malleehoningeter te scheiden.

Staat van instandhouding

Internationaal niet bedreigd (LC), maar op regionale schaal staat de soort er minder goed voor: ze geldt als kwetsbaar in Nieuw-Zuid-Wales en Victoria en als zeldzaam in Zuid-Australië. De oorzaak is telkens dezelfde: het ontginnen van mallee voor akkerbouw heeft het leefgebied in de zuidoostelijke deelstaten tot losse eilanden teruggebracht, en wat overblijft is gevoelig voor grote branden, die een malleeterrein voor lange tijd ongeschikt maken. Het behoud van uitgestrekte, oude malleeblokken is voor deze soort de kern van de zaak.

Wetenschappelijke naam

Lichenostomus cratitius | (Gould, 1841)

John Gould beschreef de soort in 1841 als Ptilotis cratitius; de haakjes om zijn naam laten zien dat ze later van geslacht wisselde. Ze belandde in Lichenostomus, dat Jean Cabanis in 1851 invoerde uit het Griekse leichēn, 'korstmos' of 'eelt', en stoma, 'mond' — naar de eeltachtige gaap die bij deze soort juist het opvallendst is. Na de opsplitsing van 2011 bleven alleen deze soort en de geelpluimhoningeter in dat geslacht over. Het epitheton cratitius is Latijn en betekent 'van vlechtwerk'. De Nederlandse naam purperteugelhoningeter, de Engelse naam Purple-gaped Honeyeater en de Spaanse naam mielero de boqueras wijzen alle drie op de gaapstreep, elk met een eigen woord voor dezelfde plek in het gezicht.