Alle soorten › Papegaaiachtigen › Halsbandparkieten › Prinses van Wales-parkiet

Prinses van Wales-parkiet | Polytelis alexandrae

Princess Parrot | Perico princesa

De Prinses van Wales-parkiet is de pastelkleurige parkiet van de zandduinwoestijn: bleekblauwe kruin, rozerode keel, olijfgroene rug, violetblauwe stuit en een zeer lange, smalle staart. Hij is nomadisch tot op het raadselachtige af — hij duikt na regen met tientallen op in een streek waar hij twintig jaar niet gezien is, broedt, en verdwijnt weer. Wie hem in het binnenland tegenkomt, heeft geluk gehad.

Prinses van Wales-parkiet (Polytelis alexandrae)
Foto: Crusier — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Voor het opvliegen en in de vlucht klinkt een langgerekt, hard en ratelend geroep, veel schetterender dan de zachte kleuren doen verwachten. Zittend in een woestijnkasuarisboom laat hij een mengsel horen van getjirp, korte krassende noten en een laag, bijna knorrend geluid, afgewisseld met scherpe, afgebeten tonen. In een broedkolonie langs een droge kreek staat een voortdurend zacht gekwetter van het hele groepje.

Luister: VluchtroepXC488068

Opname: Mark Carter — CC BY-NC-SA 4.0 · Gibson Desert North, Shire of East Pilbara, Western Australia, Australia · xeno-canto

Herkenning

Een slanke parkiet van zo'n veertig centimeter, waarvan bij het mannetje meer dan de helft staart: de twee middelste staartpennen zijn draadvormig verlengd. De kleuren zijn zacht en ongewoon voor een papegaai: een bleek blauwgrijze kruin, een rozerode kin, keel en voorhals, een grijsgroene borst en buik met een lichtgroene waas, een olijfgroene rug en een opvallende violetblauwe stuit. Over de schouder ligt een geelgroen vleugelvlak dat in de vlucht als een lichte baan oplicht. De snavel is koraalrood, de iris oranje. Het volwassen mannetje heeft aan de derde handpen een spatelvormige verlenging, een kenmerk dat alleen van dichtbij te zien is. Het vrouwtje is valer, met een grijzere kruin en een duidelijk kortere staart.

Verwarrings­soorten

De twee andere Polytelis-parkieten delen het slanke silhouet met de lange smalle staart maar niet het areaal: de barrabandparkiet (Polytelis swainsonii) is grasgroen met een geel gezicht en een rode borstband en blijft in het zuidoosten bij de Murray en de Murrumbidgee, de regentparkiet (Polytelis anthopeplus) is diepgeel met een rood vleugelvlak en zit in de mallee (laag, veelstammig eucalyptusstruweel van droog zuidelijk Australië) en in het zuidwesten. In de woestijn zelf is de valkparkiet (Nymphicus hollandicus) de vogel die qua silhouet het dichtst in de buurt komt: even lang van staart, maar grijs, met een kuif en een oranje wangvlek. De grasparkiet (Melopsittacus undulatus) is half zo groot, geel met een zwart gegolfde rug, en vliegt in dichte zwermen van honderden.

Leefgebied

Zandduinwoestijn en spinifexvlakten met verspreide bomen vormen zijn wereld: de woestijnkasuarisboom, de marmergom en losse acacia's op de duinruggen, en langs de droge kreken smalle stroken eucalyptus. Hij nestelt in een holte in zo'n boom, vaak laag, en verscheidene paren kiezen dezelfde bomengroep. Voedsel zijn de zaden van spinifex (stekelig, pollenvormend woestijngras van het binnenland) en andere woestijngrassen, die hij op de grond tussen de pollen oppikt, aangevuld met acaciazaad en bloesem.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Het droge binnenland van West- en Midden-Australië: de Grote Zandwoestijn en de Gibsonwoestijn, de oostelijke Goldfields van West-Australië, het zuiden van het Noordelijk Territorium en het noorden van Zuid-Australië, met uitlopers tot in het westen van Queensland. Hij houdt zich aan geen vaste plek binnen dat gebied: de Canning Stock Route en het Newhaven-reservaat leveren de meeste meldingen, maar in de meeste jaren is hij bijna nergens te vinden. Buiten Australië komt hij niet voor.

  • Jaarrond
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem niet, maar zoek de omstandigheden: na een goede regenval in het binnenland, wanneer de spinifex zaad zet, is de kans het grootst. Rijd langzaam langs een droge kreek met grote eucalyptussen of langs een duinrug met woestijnkasuarisbomen, en let op het ratelende geroep en op het silhouet met de zeer lange staart. Hij drinkt in de vroege ochtend bij een poel of veedrinkbak; wie daar wacht, ziet hem eerder dan wie in de duinen rondloopt.

Staat van instandhouding

Gevoelig (NT). De soort heeft een reusachtig areaal maar een kleine, sterk schommelende en zeer moeilijk te tellen populatie, en er zijn jaren waarin er in heel Australië maar een handvol waarnemingen is. De oorzaken zijn indirect: het wegvallen van het fijnmazige brandpatroon dat de Aboriginal-bewoners in de spinifexwoestijn onderhielden, waardoor grote, hete branden hele gebieden in één keer kaal leggen, begrazing door vee en kamelen rond de weinige drinkplaatsen, en predatie door verwilderde katten en vossen. Daarbij kwam in de twintigste eeuw het wegvangen van vogels voor de vogelhandel, waaraan de soort haar populariteit in de volière dankt.

Wetenschappelijke naam

Polytelis alexandrae | Gould, 1863

Gould beschreef de soort in 1863 als Polyteles alexandrae; hij plaatste haar meteen in het juiste geslacht, zodat auteur en jaartal zonder haakjes blijven. Het geslacht Polytelis werd in 1832 ingevoerd door Wagler, naar het Griekse polytelēs, 'kostbaar'. Het epitheton alexandrae eert Alexandra van Denemarken, die in maart van datzelfde jaar trouwde met de Britse kroonprins en daarmee prinses van Wales werd — vandaar de Nederlandse naam. De typelocatie is Howell's Ponds in Centraal-Australië.