Alle soorten › Zangvogels › Leeuweriken › Oosterse struikleeuwerik

Oosterse struikleeuwerik | Mirafra javanica

Singing Bush Lark | Alondra cantante

De oosterse struikleeuwerik is een kleine, gedrongen grasvogel die je in Australië bijna altijd eerst hoort en pas veel later ziet. In de zomer klimt het mannetje in golvende vlucht boven de vlakte uit en zingt daar minutenlang door, met de roep van elke andere vogel uit de buurt ertussendoor. Zakt hij weer, dan verdwijnt hij tussen de pollen en is hij op tien meter afstand niet meer terug te vinden.

Oosterse struikleeuwerik (Mirafra javanica)
Foto: JJ Harrison — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een rijk, tinkelend en snel geschakeld deuntje, hoog in de lucht gebracht en doorspekt met verbluffend nauwkeurige nabootsingen: doornsnavels, honingeters en zwaluwen komen achter elkaar voorbij. Van december tot januari gaat het bij vlagen dag en nacht door. Vanaf de grond klinkt een droog tsjrp als contactroep, en bij opvliegen een kort, hard tsjek.

Luister: ZangXC950961

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · Salalah, Dhofar Governorate, Oman · xeno-canto

Herkenning

Een korte, dikke leeuwerik van twaalf tot vijftien centimeter met een zware, mussenachtige snavel en een klein kuifje dat hij zelden opzet. De bovendelen zijn bruin, roodbruin of zandkleurig met donkere streping — de tint volgt vaak de kleur van de plaatselijke grond — en de borst is gevlekt op een lichte ondergrond. In de vlucht valt de roestbruine vleugelrand op en zijn de buitenste staartpennen licht. De wenkbrauwstreep is vaalgeel. Man en vrouw zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De Nieuw-Zeelandse pieper (Anthus novaeseelandiae) loopt in plaats van te huppen, is slanker, heeft een dunne snavel en wipt met de staart; het roestbruin in de vleugel ontbreekt. De roodstuitgrasvogel (Cincloramphus mathewsi) en de roetbruine grasvogel (C. cruralis) zijn duidelijk groter en langgerekter, met een langere staart. De veldleeuwerik (Alauda arvensis), ingevoerd in het zuidoosten en in Nieuw-Zeeland, is groter, heeft een echte kuif en een witte achterrand aan de vleugel.

Leefgebied

Open grasland van alle soorten: Mitchellgrasland op de zwarte kleivlakten, de grasvloer van savanne met eucalyptus, saltbushvlakte (zoutminnend dwergstruweel van zoute vlakten) en bluebushvlakte (blauwgrijs zoutstruweel van het halfwoestijnachtige binnenland), en verder graanakkers, ijle suikerrietvelden en beweide weide. Hij wil kruidenrijk, laag gras met kale plekken ertussen om te lopen, en verdwijnt uit percelen die te dicht of te kort begraasd zijn.

Verspreiding en trek

Over vrijwel het hele Australische vasteland, van het Eyre-schiereiland in Zuid-Australië oostwaarts door Victoria, Nieuw-Zuid-Wales en Queensland en westwaarts tot Shark Bay. Op Tasmanië is hij een dwaalgast. In het noorden blijft hij het hele jaar; in het zuidoosten is hij een zomervogel die in november en december aankomt en in maart wegtrekt. Buiten Australië loopt het verspreidingsgebied van de soort door tot in Zuidoost-Azië en Java.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Rijd in december of januari een grindweg door open grasland en stop bij elk zingend puntje boven de vlakte; de zangvlucht is het enige moment waarop de soort betrouwbaar te zien is. Loop daarna langzaam naar de plek waar de vogel neerkwam: hij loopt weg door het gras en vliegt pas op als je er bijna op staat, laag en met snelle slagen om tien meter verder weer te verdwijnen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). De soort is over het hele continent talrijk en gebruikt naast natuurlijk grasland ook graanakkers en beweid land, waardoor het omzetten van savanne in landbouwgrond haar minder heeft geraakt dan andere grasvogels. Plaatselijk drukken te zware begrazing, het verdwijnen van kruidenrijk grasland en het te vaak branden van savanne de aantallen.

Wetenschappelijke naam

Mirafra javanica | Horsfield, 1821

Horsfield beschreef de vogel in 1821 als Mirafra javanica, en in dat geslacht staat hij nog steeds, zodat auteur en jaartal zonder haakjes blijven; hij is meteen ook de typesoort van het geslacht. Wat Mirafra betekent, is niet bekend — Horsfield lichtte de naam niet toe en ook Jobling laat de afleiding open. javanica betekent 'van Java', naar het eiland waar het beschreven exemplaar vandaan kwam; de Australische vogels horen bij dezelfde soort.