Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Nordmanns groenpootruiter
Nordmanns groenpootruiter | Tringa guttifer
Nordmann's Greenshank | Archibebe moteado
Nordmanns groenpootruiter is de zeldzaamste steltloper die in dit kaartvenster kan opduiken en een van de meest bedreigde waadvogels ter wereld: er leven nog maar vijftienhonderd tot tweeduizend vogels. Hij lijkt sterk op de gewone groenpootruiter, maar is gedrongener, heeft opvallend kórte gele poten, een dikke tweekleurige snavel en als enige ruiter zwemvliezen tussen de voorste tenen.
Geluid
Roepen zijn schaars vastgelegd, want de soort is overal zeldzaam. De vluchtroep is een scherp, wat hees en tweelettergrepig kjuw of kee-juw, lager en ruwer dan het heldere driedelige fluitje van de groenpootruiter en meestal in losse noten in plaats van in een reeks. Vogels op de slikplaat zijn stil. Bij verstoring klinkt soms een korte, harde alarmnoot. Is het verschil met de groenpootruiter op het gehoor niet zeker vast te stellen, dan geeft het uiterlijk uitsluitsel; dat is bij deze soort duidelijk genoeg.
Opname: Rolf A. de By — CC BY-NC-SA 4.0 · Sonadia Island, NW of Cox's Bazar, Chittagong Division, Bangladesh · xeno-canto
Herkenning
Een gedrongen ruiter van negenentwintig tot tweeëndertig centimeter, van boven grijs met witte veerzomen en van onderen wit. Het beslissende kenmerk is de bouw van de poten: ze zijn kort en dofgeel en steken in de vlucht nauwelijks voorbij de staart uit, waar die van de groenpootruiter er duidelijk achter uitkomen. De snavel is fors, aan de basis dik en geelgroen, naar de punt zwart, en loopt licht omhoog — een tweekleurig, wat wigvormig geheel. Als enige ruiter heeft hij zwemvliezen tussen de voorste tenen, zichtbaar op foto's van lopende vogels. In broedkleed dragen hals en borst brede, zwarte, halvemaanvormige vlekken; in winterkleed is hij opvallend wit van kop en onderdelen. In de vlucht loopt een witte wig de rug op en is de ondervleugel bijna geheel wit.
Verwarringssoorten
De groenpootruiter (Tringa nebularia) is de enige echte valstrik en is in dit gebied duizenden malen talrijker; verwacht dus altijd die soort. Verschillen: de groenpootruiter is slanker en langpotiger, met geelgroene tot blauwgroene poten die in de vlucht voorbij de staart uitsteken, een dunnere snavel zonder duidelijke tweekleurigheid en zonder zwemvliezen, en in broedkleed streping in plaats van brede halvemanen. De poelruiter (Tringa stagnatilis) is veel kleiner en fijner, met heel lange poten. De Siberische grijze ruiter (Tringa brevipes) heeft eveneens korte gele poten, maar is egaal grijs zonder witte rugwig. Elke melding vraagt hier foto's van poten, snavel en het rugpatroon in vlucht: op zicht alleen is de soort niet aan te nemen.
Leefgebied
Buiten de broedtijd strikt een vogel van intergetijdenslik: de brede, zachte modderplaten van estuaria en grote baaien, en daarbinnen de randen bij mangrove en de geulen die als laatste droogvallen. Hij foerageert lopend en prikkend in ondiep water, vaak in gezelschap van groenpootruiters, en gebruikt bij hoogwater dezelfde zandbanken en kwelderranden als de rest van de steltlopergroep. Zoet binnenwater mijdt hij vrijwel geheel.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Binnen dit kaartvenster een dwaalgast van de buitenste rand: er zijn maar enkele meldingen uit Australië, vrijwel alle uit het noordwesten en noorden — de slikvlakten rond Broome en Roebuck Bay en de kust van het Top End — en elke waarneming moet zorgvuldig worden gedocumenteerd. Nieuw-Zeeland en Norfolk bereikt hij niet. Het normale overwinteringsgebied ligt veel noordelijker, in Bangladesh, Thailand, Cambodja, Vietnam en Maleisië; de vogels die hier verschijnen zijn ver over dat gebied heen geschoten.
- Broedvogel (zomer)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga uit van een groenpootruiter tot het tegendeel is bewezen, en bewijs dat op drie punten: staan de poten opvallend kort onder het lichaam, is de snavelbasis dik en geel tegenover een zwarte punt, en blijven de tenen bij het wegvliegen binnen de staart? Fotografeer als het even kan de voet zelf, want de zwemvliezen tussen de voorste tenen zijn het enige kenmerk waar geen discussie over mogelijk is. Zoek bij Broome en Roebuck Bay, waar de meeste Australische kandidaten zijn opgedoken.
Staat van instandhouding
Bedreigd (EN): een schatting uit 2023 komt op vijftienhonderd tot tweeduizend volwassen vogels. De hele wereldpopulatie broedt in een smalle strook langs de zuidwestelijke en noordelijke kust van de Zee van Ochotsk en op Sachalin, in kustnabije lariksmoerassen — een broedgebied zo klein dat één olielek of één grote houtkap een merkbaar deel van de soort raakt. Op de trek hangt hij volledig aan de intergetijdenslikplaten van de Gele Zee, waarvan meer dan de helft is ingepolderd, en in de overwinteringsgebieden van Zuidoost-Azië worden steltlopers nog steeds met netten gevangen. Er bestaat nog geen sluitend internationaal beschermingsplan; de belangrijkste maatregelen tot nu toe zijn het beschermen van afzonderlijke slikgebieden, zoals de baai van Inner Gulf in Thailand en de Chinese kustreservaten die sinds 2019 op de werelderfgoedlijst staan.
Wetenschappelijke naam
Tringa guttifer | (Nordmann, 1835)
Alexander von Nordmann, een Fins-Duitse zoöloog die in Odessa en Helsinki werkte, beschreef de soort in 1835 als Totanus guttifer, met Ochotsk aan de gelijknamige zee als typelocatie; door de verplaatsing naar Tringa staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het epitheton is gevormd uit het Latijnse gutta, 'druppel, vlek', en ferre, 'dragen': de druppeldrager, naar de brede zwarte vlekken van het broedkleed. Lange tijd stond de soort in een eigen geslacht Pseudototanus; DNA-onderzoek uit 2019 plaatste haar in Tringa, met de willet als naaste verwant. De Nederlandse en Engelse naam eren de beschrijver.


