Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Nieuw-Zeelandse plevier

Nieuw-Zeelandse plevier | Thinornis novaeseelandiae

Shore Plover | Chorlitejo de las Chatham

De Nieuw-Zeelandse plevier is een van de zeldzaamste steltlopers ter wereld: een gedrongen, kortpotige plevier met een zwart masker, een witte band rond de kop en oranjerode poten, die ooit de hele Nieuw-Zeelandse kust bewoonde en nu nog maar op een handvol roofdiervrije eilanden leeft. Er zijn er in totaal ongeveer tweehonderdvijftig.

Nieuw-Zeelandse plevier (Thinornis novaeseelandiae)
Foto: Kristina D.C. Hoeppner from Wellington, New Zealand — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Zijn stem verraadt hem eerder dan zijn kleed: een luid, snel en helder ratelend geroep dat klinkt als het pijpen van een scholekster in het klein, gebruikt om het territorium af te bakenen en bij opwinding aan het strand. Tussen de partners van een paar klinkt een zacht tsjip als contactroep. Kuikens geven bij gevaar een hoog, herhaald piepen dat met de leeftijd luider wordt.

Luister: RoepXC927259

Opname: David Boyle — CC BY-NC-SA 4.0 · Rangatira South East Island, Chatham Islands, New Zealand · xeno-canto

Herkenning

Een compacte plevier van twintig centimeter, bruin van boven en wit van onderen, met een grijsbruine, donker gevlekte kruin. Het mannetje draagt een zwart masker dat van het voorhoofd over de wangen tot over de keel en de hals doorloopt; bij het vrouwtje is dat masker donkerbruin in plaats van zwart. Een brede witte band scheidt masker en kruin en loopt als een beugel rond de achterkop. De snavel is oranje met een donkere punt, de oogring oranje en de poten oranjerood. Jonge vogels missen het masker nog en hebben een overwegend donkere snavel.

Verwarrings­soorten

Binnen het Thinornis-drietal deelt hij het zwarte masker met de maskerplevier (Thinornis melanops), maar bij die soort blijft het zwart beperkt tot voorhoofd en oogstreep, zit er een zwarte V op de borst en een kastanjebruine schouderstreep, en staat de vogel aan zoet binnenwater. De zwartkopplevier (Thinornis cucullatus) heeft een volledig zwarte kap met witte nekband en komt alleen in Australië voor. Op het strand wordt vooral de jonge vogel verward met de dubbelbandplevier (Anarhynchus bicinctus), die hier talrijk is: de Nieuw-Zeelandse plevier heeft dan een duidelijk langere snavel met oranje basis en oranjerode in plaats van vuilgroene poten. De rosse plevier (Anarhynchus obscurus) is groter, langpotiger en heeft een roestige onderzijde zonder masker.

Leefgebied

Rotsplaten en wierbanken langs de kustlijn, het zachte papa-gesteente van de Chathams, schelp- en grindstranden, zoutkweldertjes en de randen van getijdenkreken. Hij foerageert op de rotsplaat tussen het wier, waar hij ongewervelden van het oppervlak pikt. Het nest is voor een plevier ongewoon: geen open kuiltje in het zand maar een verscholen kom onder een pol vegetatie, tussen rotsblokken of onder aangespoeld drijfhout, vaak met een echte tunnel naar de ingang.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Endemisch in Nieuw-Zeeland. Tot omstreeks 1870 broedde hij rond de kust van het vasteland; verwilderde katten en de bruine rat maakten daar in enkele decennia een eind aan. Het bolwerk is nu Rangatira in de Chathameilanden, met kleinere groepen op andere roofdiervrije Chatham-eilanden; daarnaast zijn er uitgezette populaties op Waikawa (Portland Island) bij Hawke's Bay, op Motutapu in de Hauraki-golf en op Mana. In 2026 vloog voor het eerst in honderdvijftig jaar weer een jong uit op Pitt Island.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Deze soort zie je niet toevallig: hij zit op eilanden waar je alleen met vergunning of met een georganiseerde boottocht komt. Ben je er, blijf dan op de rotsplaat staan en laat de vogel naar jóú toe komen — hij is opvallend weinig schuw, en juist die nieuwsgierigheid heeft hem op het vasteland de kop gekost. Zoek het paar op het geluid: het snelle, ratelende geroep draagt over de hele rotsplaat.

Staat van instandhouding

Bedreigd (EN), en in het Nieuw-Zeelandse systeem als nationaal kritiek (Nationally Critical) ingedeeld, met ongeveer tweehonderdvijftig vogels in het wild. Eén enkele rat die een eiland bereikt kan een populatie wegvagen: bij eerdere verplaatsingen ging meer dan tachtig procent van de vogels aan een rattenbezetting verloren. Het herstel rust daarom op drie pijlers: de biosecurity van elk eiland, kweek in gevangenschap bij Pukaha, de Isaac Conservation and Wildlife Trust en Cape Sanctuary, en verplaatsing naar nieuwe roofdiervrije plekken. Sinds de jaren negentig zijn er meer dan vijfhonderd jonge vogels uitgezet; het doel is vijf of meer vestigingen met samen minstens tweehonderdvijftig volwassen vogels.

Wetenschappelijke naam

Thinornis novaeseelandiae | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Charadrius novae-Seelandiae in de dertiende uitgave van het Systema Naturae, naar een beschrijving en plaat van Latham; door de verplaatsing naar een ander geslacht staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het epitheton betekent eenvoudig 'van Nieuw-Zeeland' en de typelocatie is Queen Charlotte Sound op het Zuidereiland, waar Cooks tweede reis aanlandde — een plek waar de soort al anderhalve eeuw niet meer voorkomt. Het geslacht Thinornis voerde Gray in 1844 in, van het Griekse thinos, 'strand of zand', en ornis, 'vogel'. De Maori-naam is tuturuatu; op de Chathams heet hij tchuriwat'.