Alle soorten › Stormvogelachtigen › Zuidelijke stormvogeltjes › Nieuw-Zeelands stormvogeltje
Nieuw-Zeelands stormvogeltje | Fregetta maoriana
New Zealand Storm-Petrel | Paíño maorí
Het Nieuw-Zeelands stormvogeltje is anderhalve eeuw lang alleen bekend geweest van drie negentiende-eeuwse balgen in Europese musea, en gold als uitgestorven. In januari 2003 werd hij levend teruggevonden voor de Coromandelkust, en in 2013 werden de eerste nesten gevonden, onder het bos van Hauturu-o-Toi. Het is een klein, zwart-wit stormvogeltje met een gestreepte buik dat over het water lijkt te wandelen, en het broedt zover bekend op één enkel eiland ter wereld.
Geluid
Op zee is hij vrijwel stil; de vogels die achter een chumspoor in de Hauraki Gulf verschijnen, doen dat zonder geluid. Bij de kolonie onder het bos van Hauturu komen ze alleen in het donker aan en zijn ze weinig luidruchtig, wat mede verklaart waarom de broedplaats pas na tien jaar zoeken — en met zenders — werd gevonden. Voor de gebruiker van deze gids is geluid hier geen hulpmiddel.
Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Achttien centimeter en zo'n vijfendertig gram: het kleinste van de vier Fregetta-stormvogeltjes hier. Kop, borst en bovendelen zijn zwartbruin, met een scherp begrensde witte stuit. De onderdelen zijn wit, maar — en dat is het kenmerk — met opvallende donkere streping over de flanken en door tot op de buik, zodat de onderzijde gestreept en niet schoon wit oogt. Over de binnenste bovenvleugel loopt een lichtere band; de ondervleugel heeft een donkere voorrand met daarbinnen een wit paneel. Snavel, poten en voeten zijn zwart, en de poten steken voorbij de staart uit. De vlucht is het beeld van het geslacht: zwenkend van links naar rechts, laag over het water, waarbij hij zich met afwisselende voeten afzet en zo over het oppervlak lijkt te wandelen.
Verwarringssoorten
Dit is de lastigste determinatiegroep van de gids. Het Nieuw-Caledonisch stormvogeltje (Fregetta lineata) heeft dezelfde gestreepte buik en is op zee bijna niet te scheiden: het is groter, langvleugeliger en langpotiger, met dichtere en grovere streping en met een smaller, minder schoon wit paneel op de ondervleugel — de beschrijvers steunden zelf vooral op maten aan balgen. Het witbuikstormvogeltje (Fregetta grallaria) heeft een schone witte buik of hooguit wat onregelmatige vlekjes, geen rijen strepen. Het zwartbuikstormvogeltje (Fregetta tropica) heeft geen streping maar één brede zwarte middenstreep over de witte buik, en is groter. Het Wilsons stormvogeltje (Oceanites oceanicus) is kleiner en heeft een geheel donkere buik. Wees eerlijk: een gestreepte Fregetta op afstand blijft vaak onbeslist, en in de Hauraki Gulf helpt de plaats meer dan het kleed.
Leefgebied
Buiten de broedtijd een vogel van de open zee boven diep water, waar hij foerageert langs stromingsranden en achter de rand van het continentaal plat. Het broedgebied is uitzonderlijk voor een zeevogel: hij nestelt onder hoog gesloten bos op Hauturu-o-Toi, in spleetachtige holten in kruimelige, stenige grond onder de strooisellaag, tot ver het eiland in en hoog op de hellingen. Dat maakt de kolonie vrijwel onvindbaar zonder zenders.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Binnen dit kaartvenster in de zomer geconcentreerd in de buitenste Hauraki Gulf en de noordelijke Nieuw-Zeelandse wateren, met de enige bekende broedplaats op Hauturu-o-Toi (Little Barrier Island). Na het broedseizoen trekken de vogels westwaarts: er zijn waarnemingen voor Queensland, Nieuw-Zuid-Wales en Victoria, en bij Nieuw-Caledonië. In GBIF staan voor 2015–2024 bijna tweeduizend waarnemingen uit Nieuw-Zeeland tegen ruim vijftig uit Australië — de verhouding tussen een broedgebied en een overwinteringsrand.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Boek een pelagische tocht in de buitenste Hauraki Gulf tussen november en maart, bij voorkeur een die met lokvoer werkt; daar is de soort de afgelopen twintig jaar van een spook een min of meer betrouwbare waarneming geworden. Kijk naar een klein stormvogeltje dat met afwisselende voeten over het water tikt en let dan op de onderzijde: de donkere streping op flanken en buik is het kenmerk waarop het aankomt, en een scherpe foto van de buik is meer waard dan tien minuten kijken.
Staat van instandhouding
Ernstig bedreigd (CR). De soort gold van omstreeks 1850 tot 2003 als uitgestorven en is bekend van één broedeiland: Hauturu-o-Toi, waar in februari 2013 met zenders de eerste nesten werden gevonden. De stand wordt op honderden tot mogelijk enkele duizenden vogels geschat, en Nieuw-Zeeland zet hem nationaal als 'kwetsbaar' te boek. Dat het überhaupt goed gaat, komt doordat Hauturu roofdiervrij is: de kiore (Polynesische rat) werd er in 2004 uitgeroeid, en het eiland is streng gesloten natuurreservaat. Precies daar zit ook het risico — één eiland, één populatie, één ontsnapte rat of één brand. Daarnaast raken jonge vogels op hun eerste vlucht gedesoriënteerd door kunstlicht op het water en aan de kust.
Wetenschappelijke naam
Fregetta maoriana | (Mathews, 1932)
Mathews beschreef de soort in 1932 op grond van de oude museumbalgen, in een eigen geslacht Pealeornis; na de herontdekking bleek uit genetisch onderzoek dat ze bij Fregetta hoort, en omdat ze dus van geslacht is veranderd staan auteur en jaartal tussen haakjes. Een tijdlang werd ze onder Oceanites maorianus gevoerd. Het epitheton maoriana betekent eenvoudig 'Nieuw-Zeelands' of 'van de Maori', en de typelocatie is Nieuw-Zeeland zonder nadere plaats — de oude balgen dragen geen precieze vindplaats. In het Maori heet de vogel takahikare-raro.

