Alle soorten › Zangvogels › Australische vliegenvangers › Malleefluiter
Malleefluiter | Drymodes brunneopygia
Southern Scrub Robin | Petroica matorralera sureña
De malleefluiter is een grote, langpotige, grondbewonende vliegenvanger van de mallee (laag, veelstammig eucalyptusstruweel van droog zuidelijk Australië) en het droge struweel van zuidelijk Australië. Hij loopt en hipt door het strooisel onder de struiken, schuift bladeren opzij met de snavel en laat zich vrijwel alleen kennen aan een heldere, ver dragende fluittoon.
Geluid
Een luide, zuivere fluitreeks die over honderden meters draagt en vaak uit drie of vier noten bestaat waarvan de laatste omhoog schiet; hij herhaalt die reeks met lange tussenpozen, vooral bij zonsopgang en tegen de avond. Doordat de tonen zuiver zijn en het struweel dicht is, lijkt het geluid steeds van een andere kant te komen. Bij verstoring klinkt een hard, ratelend scheldgeluid vanaf de grond.
Opname: Craig Robertson — CC BY-NC-SA 4.0 · Monkey Mia, Shire of Shark Bay, Western Australia, Australia · xeno-canto
Herkenning
Eenentwintig tot drieëntwintig centimeter, met lange, bleke poten en een lange staart die vaak iets opgericht wordt gedragen. De bovendelen zijn effen grijsbruin, met als enige kleuraccent een warm roodbruine stuit en staartbasis; de onderdelen zijn vuilwit tot licht beige. Over het oog loopt een donkere streep, met daaromheen een bleke oogring die het oog groot doet lijken. De donkere vleugel draagt twee smalle witte strepen. Mannetje en vrouwtje zien er gelijk uit. Hij loopt en hipt en vliegt zelden.
Verwarringssoorten
De enige geslachtsgenoot, de Cape York-fluiter (Drymodes superciliaris), leeft in het regenwoud van het noorden van Kaap York, duizenden kilometers hiervandaan; de twee ontmoeten elkaar nooit, maar ze zijn aan bouw en gedrag onmiskenbaar familie. De Cape York-fluiter is bovendien veel roodbruiner en draagt een scherpe witte wenkbrauwstreep, die deze soort mist. In de mallee zelf is de roodrugkwartellijster (Cinclosoma castanotum) de andere grote vogel van de bodem: die is forser en gedrongener, met een kastanjebruine rug, een zwarte keel bij het mannetje en een opvallend wit-en-zwart borstpatroon, en hij rent in plaats van te hippen. Een slanke, effen grijsbruine grondvogel met lange poten en een bleke oogring in de mallee is vrijwel altijd deze soort.
Leefgebied
Mallee-eucalyptus op zandgrond met een dichte ondergroei van broombush of heidestruiken, en daarnaast acaciastruweel en zandvlakteheide. Wat de plaats geschikt maakt is de bodem: een dikke, onaangeroerde strooisellaag onder gesloten struiken, waarin hij zoekt en waarop hij broedt. Lang onverbrand struweel is daarom beter dan pas herstelde vegetatie.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Zuidelijk en halfdroog Australië, in een brede band van de streek rond Shark Bay in West-Australië door het binnenland van West-Australië en langs de rand van de Nullarbor naar Zuid-Australië, met het Eyre-schiereiland, de Flinders Ranges en de Murray-mallee, en verder naar het noordwesten van Victoria en het zuidwesten en midden van Nieuw-Zuid-Wales. Standvogel: een paar houdt jaarrond hetzelfde terrein en verplaatst zich nauwelijks.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek deze vogel met de oren. Ga in het eerste uur na zonsopgang stil aan de rand van een stuk oude mallee staan en wacht op de fluittoon; probeer daarna niet de vogel te zien maar het geritsel te volgen, want het omwoelen van blad verraadt hem eerder dan beweging. Blijf op het pad staan en beweeg niet: hij komt geregeld op een paar meter afstand het pad over. Het nest is een kom op de grond, vaak met een kransje takjes eromheen, en is dus gemakkelijk stuk te lopen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC) en over een groot gebied verspreid, maar het areaal is sinds de negentiende eeuw sterk versnipperd doordat grote oppervlakten mallee zijn gerooid voor graanbouw. Wat overblijft is gevoelig voor brand: de soort heeft de dikke strooisellaag van lang onverbrand struweel nodig en keert pas na jaren terug in een afgebrand blok. Omdat hij op de grond broedt, drukken de ingevoerde vos en de verwilderde kat op het broedsucces. Grote, aaneengesloten reservaten met een gespreid brandbeheer zijn hier de doorslaggevende maatregel.
Wetenschappelijke naam
Drymodes brunneopygia | Gould, 1841
John Gould beschreef de soort in 1841 in de Proceedings of the Zoological Society of London, naar vogels uit de bosstroken langs de Murray in Zuid-Australië. brunneopygia is samengesteld uit laat-Latijn brunneus (bruin) en Grieks pyge (stuit): bruinstuitig, naar de roodbruine stuit die het enige kleuraccent van de vogel is. Het geslacht Drymodes voerde Gould eveneens in 1841 in, uit Grieks drymodes (bosachtig, van het woud). De Nederlandse naam verbindt het leefgebied met de heldere fluittoon.


