Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Kastanjetaling

Kastanjetaling | Anas castanea

Chestnut Teal | Cerceta castaña

De kastanjetaling is de kusttaling van zuidelijk Australië: een kleine, donkere eend die als enige van de streek het zoute water van estuaria en zoutkwelders echt verdraagt. Het mannetje heeft bij goed licht een glanzende flesgroene kop op een diep kastanjebruin lijf, met een wit blok op de achterflank, terwijl het vrouwtje juist tot de lastigste bruine eendjes van Australië hoort.

Kastanjetaling (Anas castanea)
Foto: JJ Harrison ( https://www.jjharrison.com.au/ ) — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het mannetje heeft een diep, kort fluitje en daarnaast een laag gegrom, het vrouwtje een gniffelend, ratelend gekwaak dat in een reeks afneemt. Beide lijken sterk op de Australische taling, maar de fluittoon van het mannetje klinkt duidelijk dieper en voller, pjuu in plaats van het ijle piep van zijn grijze neef. In een gemengde groep op een estuarium is dat verschil vaak het eerste wat opvalt.

Luister: RoepXC883158

Opname: Greg McLachlan — CC BY-NC-SA 4.0 · Kyeemagh, Rockdale City Council, New South Wales, Australia · xeno-canto

Herkenning

Een kleine eend van vijfendertig tot vijftig centimeter, gemiddeld rond de tweeënveertig. Het mannetje heeft een glanzend donkergroene kop en hals, een diep kastanjebruine borst, flanken en buik met fijne donkere vlekken, een donkerbruine bovenzijde, een zwarte onderstaart en een scherp afgetekend wit blok op de achterflank. Het vrouwtje is gevlekt donkerbruin en grijs, met een lichte, bruin gestreepte keel en een donkere oogstreep. Beide geslachten hebben een dieprood oog, een blauwgrijze snavel, groengrijze poten en een donkergroene tot paarse spiegel met een witte zoom.

Verwarrings­soorten

Het vrouwtje van de Australische taling (Anas gracilis) is de echte klip: even groot en even grijsbruin, maar lichter, met een schoon witte keel die tegen de donkere kop afsteekt, terwijl het vrouwtje van de kastanjetaling donkerder is met een doffe, bruin gestreepte keel. De wenkbrauweend (Anas superciliosa) is veel forser en heeft twee zwarte strepen door een crèmekleurig gezicht. Het mannetje van de Australische slobeend (Spatula rhynchotis) heeft eveneens kastanjebruine flanken, maar is groter, heeft een blauwgrijze kop met witte sikkel en die onmiskenbare lepelsnavel.

Leefgebied

Ondiepe kustwetlands: estuaria, mangroverand, zoutkwelders met samphire (laag, vlezig zoutmoerasstruweel op getijdenslib) en brakke kustlagunen, waar hij bij opkomend tij langs de waterlijn dabbelt en aanspoelend voedsel opneemt. Hij verdraagt zeer zout water, maar heeft zoet water nodig om te drinken. Landinwaarts gebruikt hij zoetwatermeren, stuwmeren en rioolwatervijvers, en om te broeden holle bomen boven water, zes tot tien meter hoog, of dichte graspollen vlak bij de oever.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Australië, in twee gescheiden gebieden: het zuidwesten van West-Australië en een brede zuidoostelijke strook van omstreeks Ceduna in Zuid-Australië tot Rockhampton in Queensland, met de zwaartepunten in Victoria, Tasmanië en Nieuw-Zuid-Wales. De kustmoerassen van Corner Inlet, Western Port en de Tasmaanse oostkust leveren de dichtste concentraties. Naar Nieuw-Zeeland is hij een dwaalgast: de eerste werd in juni 1991 bij het Manawatu-estuarium gezien en er zijn er sindsdien een dozijn bij gekomen, vrijwel alle aan de kust. Ook Lord Howe kent losse gevallen.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Gebruik de paarband: kastanjetalingen blijven het hele jaar in paren, dus een bruin eendje naast een groenkoppig mannetje is vrijwel zeker een vrouwtje kastanjetaling, terwijl een bruin eendje in een groot los gezelschap eerder een Australische taling is. Zoek langs de kust, niet in het binnenland: bij opkomend tij verzamelen ze zich in de kwelders en op de slikranden. Let bij tegenlicht op het witte blok op de achterflank, dat zelfs bij een silhouet nog oplicht.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). De soort is in Australië talrijk en profiteert van de vele kunstmatige wateren — stuwmeren, drinkpoelen en rioolwatervijvers — die hem in droge jaren op de been houden. In sommige staten is hij bejaagd wild. De grootste druk is het verlies van kustmoerassen en zoutkwelders aan inpoldering, stadsuitbreiding en zeespiegelstijging, en plaatselijk het verdwijnen van oude holle bomen langs het water, want zonder nestholte valt het broeden stil.

Wetenschappelijke naam

Anas castanea | (Eyton, 1838)

Eyton beschreef de soort in 1838 als Mareca castanea, in zijn Monograph on the Anatidae; omdat ze later naar Anas is overgezet, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Anas is het Latijnse woord voor eend, dat Linnaeus in 1758 als geslachtsnaam nam. castanea betekent 'kastanjekleurig', naar de borst en flanken van het mannetje. De typelocatie is Nieuw-Zuid-Wales. Moleculair onderzoek wijst de Sundataling van Indonesië aan als naaste verwant.