Alle soorten › Papegaaiachtigen › Halsbandparkieten › Halsbandparkiet

Halsbandparkiet | Psittacula krameri

Rose-ringed Parakeet | Cotorra de Kramer

De halsbandparkiet is de enige papegaai in dit gebied die er niet thuishoort: een slanke, grasgroene parkiet met een felrode snavel en een zeer lange, spits toelopende blauwgroene staart, oorspronkelijk uit Afrika en Zuid-Azië. In Australië en Nieuw-Zeeland gaat het om ontsnapte en losgelaten kooivogels — 'Indian ringneck' is een van de meest gehouden kooiparkieten ter wereld. Beide landen behandelen hem als een ongewenste soort en halen hem weg zodra hij in het veld opduikt.

Halsbandparkiet (Psittacula krameri)
Foto: Clément Bardot — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Hij is luidruchtig en onmiskenbaar: een scherp, krijsend kie-ak ... kie-ak, twee of drie keer herhaald, meestal in de vlucht en vaak het eerste wat je van hem merkt. Bij onrust volgt een snel, schril ak-ak-ak. Zittend in een boom praat hij zachter, met knerpende en kwetterende tonen. De roep draagt ver over daken en tuinen en klinkt hoger en harder dan die van welke inheemse parkiet van dit gebied ook.

Luister: VluchtroepXC1180800

Opname: Sam Hambly — CC BY-NC-SA 4.0 · Newcastle upon Tyne District, Tyne and Wear, England, United Kingdom · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer veertig centimeter, maar meer dan de helft daarvan is staart: twee sterk verlengde middelste staartpennen, blauwgroen met gele punt, geven de vogel in de vlucht een pijlvormig silhouet met korte, spitse vleugels. Het kleed is vrijwel geheel grasgroen, iets geler op de onderzijde, met een helderrode bovensnavel. Het volwassen mannetje heeft een zwarte kin- en wangstreep die overgaat in een smalle zwarte halsring, met daarboven in de nek een rozerode band en een blauwige waas op het achterhoofd. Vrouwtjes en jonge vogels missen dat alles en zijn effen groen, hooguit met een vage schaduwring. De vlucht is snel, recht en doelgericht, met snelle ondiepe slagen.

Verwarrings­soorten

In Australië is het risico vooral de Port Lincoln-parkiet (Barnardius zonarius), die eveneens een halsband draagt — maar die is geel in plaats van rozerood, de kop is donker en de vogel is gedrongener en korter van staart. De twee lange, slanke Polytelis-parkieten lijken meer op het silhouet: de barrabandparkiet (Polytelis swainsonii) heeft een geel gezicht met rode keelband, de regentparkiet (Polytelis anthopeplus) is olijfgeel met een zwarte vleugel, en beide missen de rode snavel. De Australische koningsparkiet (Alisterus scapularis) is forser en bij het mannetje diep scharlaken op kop en buik. In Nieuw-Zeeland kan alleen de roodvoorhoofdkakariki (Cyanoramphus novaezelandiae) verwarring geven, maar die is veel kleiner, heeft een rood voorhoofd en een grijze snavel.

Leefgebied

Waar hij hier opduikt zit hij bij mensen: tuinen en stadsparken met oude bomen, laanbeplanting, boomgaarden en akkerranden, en fruit- en notenaanplant. Hij slaapt gezamenlijk in hoge bomen en zoekt zijn kost aan vruchten, zaden, bloemknoppen en graan. Broeden doet hij in boomholten (elders ook in oude spechtgaten) en in gaten in gebouwen — precies het soort nestholte waar inheemse papegaaien en kaketoes om vechten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Er bestaat in dit kaartvenster geen gevestigde wilde stand. In Australië zijn tussen 1999 en 2013 ruim achthonderd gevallen van ontsnapte of losgelaten vogels vastgelegd, sterk geconcentreerd in en rond de grote steden; groepjes houden soms een paar jaar stand en worden dan weggehaald. In West-Australië staat de soort als C1-plaag te boek voor de hele staat, waar grondeigenaren verplicht zijn hem te verwijderen. In Nieuw-Zeeland zijn vogels gemeld van Noord-Auckland tot Canterbury, met een kolonie bij Beachlands die in 2005–06 is uitgeroeid, een poging bij Havelock North in 2016 en ongeveer dertig vogels die in 2016 ontsnapten bij een brand in de dierentuin van Christchurch en grotendeels zijn teruggevangen.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Let op het geluid in een buitenwijk: dat scherpe, krijsende kie-ak hoort in geen enkele Australische of Nieuw-Zeelandse tuin thuis en is bijna altijd deze soort. Kijk dan naar het silhouet in de vlucht — extreem lange, smalle staart, korte spitse vleugels, snelle rechte lijn boven de daken. Meld een waarneming altijd: in beide landen wordt op zulke meldingen daadwerkelijk actie ondernomen, en juist een vroege melding maakt het verschil tussen een verwijderd groepje en een gevestigde populatie.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (LC) — integendeel: de soort heeft zich ver buiten haar oorspronkelijke areaal gevestigd, met bestanden in Europa, Noord-Amerika, het Midden-Oosten en Japan. Binnen dit gebied is de vraag dan ook niet hoe de soort behouden blijft, maar hoe ze buiten de deur wordt gehouden. Australië rekent haar tot de zwaarste categorie vogelrisico's: ze eet graan en fruit, kan in de landbouw schade van betekenis aanrichten en concurreert met inheemse holenbroeders om nestholten, een schaars goed in Australische bossen. Nieuw-Zeeland heeft haar onder de Biosecurity Act tot ongewenst organisme verklaard. Het beleid in beide landen is vroege opsporing en onmiddellijke verwijdering, want de ervaring elders laat zien dat uitroeien na vestiging vrijwel onbegonnen werk is.

Wetenschappelijke naam

Psittacula krameri | (Scopoli, 1769)

Scopoli beschreef de soort in 1769 als Psittacus krameri, naar een vogel in de verzameling van de graaf van Turriani; omdat ze naar een ander geslacht is verhuisd, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het epitheton eert Wilhelm Heinrich Kramer, een natuuronderzoeker uit de kring rond het keizerlijke kabinet in Wenen. Cuvier voerde in 1800 het geslacht Psittacula in, een verkleinwoord van het Latijnse psittacus 'papegaai': parkietje. De typelocatie is niet in de oorspronkelijke beschrijving genoemd en is later vastgesteld op Senegal. De Nederlandse en Engelse naam verwijzen allebei naar de halsring van het mannetje.