Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Grutto
Grutto | Limosa limosa
Black-tailed Godwit | Aguja colinegra
De grutto is de slankste van de drie grutto's van dit gebied: een langpotige, rechtsnavelige steltloper die op het Australische noorderwad in duizendtallen kan staan. Zit hij, dan lijkt hij grijs en onopvallend; vliegt hij op, dan is hij onmiskenbaar, want over de vleugel loopt een brede witte streep en de staart eindigt in een strakke zwarte band boven een witte stuit. De vogels die hier komen, horen tot de kleinste ondersoort en broeden in Siberië, Mongolië en noordoostelijk China.
Geluid
In de trekperiode en op de rustplaats klinkt een luid, nasaal en drielettergrepig wik-a-wik of wetta-wetta, meestal als een groepje opvliegt of zich verplaatst; het is harder en scherper dan het jankende geluid van de Aziatische grijze snip. Bij verstoring gaat dat over in een snel herhaald, kort alarm. Het luidruchtige baltsgeroep waaraan de soort in Europa haar naam dankt, hoort bij de broedgebieden en valt buiten het kaartvenster van deze gids.
Opname: Jens Schöller — CC BY-NC-SA 4.0 · Cham, Upper Palatinate, Bavaria, Germany · xeno-canto
Herkenning
Een grote, slanke steltloper van veertig tot vierenveertig centimeter, spanwijdte drieënzestig tot vijfenzeventig centimeter, tweehonderd tot driehonderd gram. De snavel is lang, recht of hoogstens heel licht opgewipt, met een roze tot oranje basis en een zwarte punt; de poten zijn lang, zwart en steken in de vlucht ver voorbij de staart. In winterkleed is hij gelijkmatig grijsbruin met een lichte wenkbrauwstreep en zonder streping op de bovendelen; in broedkleed, dat hier zelden volledig wordt gezien, kleuren kop, hals en borst kaneelrood. Het vliegbeeld beslist alles: een brede, scherp afgetekende witte streep over de hele vleugel, een witte stuit, een zwarte eindband op de witte staart en een geheel witte ondervleugel.
Verwarringssoorten
De rosse grutto (Limosa lapponica) is de soort waarmee hij dagelijks samen staat: die is korter van poot, heeft een duidelijk opgewipte snavel, een gestreept in plaats van egaal kleed, en mist in de vlucht de witte vleugelstreep en de zwarte staartband; in plaats daarvan toont die een fijn gebandeerde staart en een witte wig op de rug. De rode grutto (Limosa haemastica), hier een zeldzame gast, lijkt in vlucht sterk op de grutto met zijn witte vleugelstreep en zwarte staart, maar zijn ondervleugel is zwart in plaats van wit — dat is het enige echt sluitende kenmerk, en zijn witte vleugelstreep is bovendien smaller. De Aziatische grijze snip (Limnodromus semipalmatus) heeft een kaarsrechte, geheel zwarte snavel zonder roze basis en mist de witte vleugelstreep. De wulpen hebben allemaal een gebogen snavel en vallen daarmee af.
Leefgebied
Vooral intergetijdengebied: slikplaten en zandplaten in estuaria, baaien en lagunes, met kwelders met samphire (laag, vlezig zoutmoerasstruweel op getijdenslib) en zoutvelden als rustplaats bij hoogwater. Anders dan de meeste steltlopers van deze trekweg gebruikt hij daarnaast graag binnenwater: ondiepe zoete en brakke moerassen, de randen van opdrogende meren en claypans (ondiepe kleikom die na regen tijdelijk water vasthoudt), ondergelopen graslanden en afvalwaterbekkens, tot ver van de kust. Hij waadt daarbij dieper dan de meeste andere soorten, vaak tot aan de buik, en steekt de snavel volledig onder water.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Binnen het kaartvenster is hij een niet-broedende gast van vooral de Australische noordkust: de grootste aantallen staan tussen Darwin en Weipa, in Arnhemland en rond de Golf van Carpentaria, met verder belangrijke plekken in de Kimberley en verspreide groepen langs de oost- en zuidkust tot in Tasmanië. Hij komt in elke deelstaat voor, ook in het binnenland wanneer de wetlands vollopen. In totaal overwinteren er bijna drieënveertigduizend volwassen vogels in Australië, van een stand van circa honderdzestigduizend op de hele Oost-Aziatisch-Australaziatische trekweg. In Nieuw-Zeeland gaat het om één of twee vogels per jaar en zelden meer dan tien, meestal in estuaria tussen de rosse grutto's of de steltkluten; de eerste was er in 1952 bij Miranda.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in de zomermaanden op een rustplaats aan de noordkust en wacht tot de groep opvliegt: de witte vleugelstreep is van grote afstand zichtbaar en scheidt hem meteen van elke rosse grutto. Kijk daarna nog één keer naar de ondervleugel, want daarmee sluit je een rode grutto uit. Loop in Australië ook de binnenlandse wetlands na die na regen zijn volgelopen, want daar duiken vaak groepjes op die op de kust zijn gemist.
Staat van instandhouding
Gevoelig (NT) op de wereldlijst en in Australië sinds 2024 als bedreigd op de federale lijst gezet. De afname komt van het verdwijnen van de tussenstopgebieden rond de Gele Zee, waar hij tijdens de trek moet opvetten: inpoldering voor haven en aquacultuur, intensivering van de landbouw op de kwelders, en dammen die het slib tegenhouden waarmee de platen zich opbouwen. In Australië zelf gaat het vooral om verstoring op de rustplaatsen en om het verdwijnen van ondiepe binnenlandse wetlands door wateronttrekking. Omdat een kwart van de trekwegstand hier overwintert, weegt het Australische beheer zwaar mee.
Wetenschappelijke naam
Limosa limosa | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de vogel in 1758 als Scolopax limosa, met Zweden als typelocatie; door de latere verplaatsing naar een ander geslacht staan auteur en jaartal tussen haakjes. Zowel de geslachtsnaam Limosa als het gelijkluidende epitheton komen van het Latijnse limus, 'slijk', en betekenen dus 'modderig' — een verwijzing naar het wad waarop hij leeft. De vogels van dit gebied behoren tot de ondersoort melanuroides, de kleinste en donkerste van de drie, waarvan de naam 'met een zwartachtige staart' betekent. De Nederlandse naam grutto is een klanknabootsing van het baltsgeroep.




