Alle soorten › Pinguïns › Pinguïns › Snareskuifpinguïn
Snareskuifpinguïn | Eudyptes robustus
Snares Penguin | Pingüino de las Snares
De snareskuifpinguïn (Eudyptes robustus) broedt op één eilandengroepje van driehonderd hectare ten zuiden van Nieuw-Zeeland en nergens anders ter wereld. Het is een forse, zwart-witte kuifpinguïn met een brede gele wenkbrauwstreep en een zware oranje snavel, en hij is de enige van zijn geslacht wiens stand niet daalt.
Geluid
Bij de kolonie klinkt een zeer luide, pulserende balk die de vogel met de kop achterover en de flippers gespreid uitstoot en die over het hele plateau draagt; tussen buren klinkt laag gegrom. Op zee zwijgt hij, op een korte contactblaf bij het aanlanden na. Wie het geluid met dat van de grote kuifpinguïn (Eudyptes sclateri) vergelijkt, hoort dat deze soort hoger en scherper pulseert waar die andere dieper en bonkender klinkt.
Opname: Sander Lagerveld — CC BY-NC-SA 4.0 · Snares Island, New Zealand · xeno-canto
Herkenning
Een forse, gedrongen kuifpinguïn van zo'n zestig centimeter, met een zwarte rug, zwart gezicht en zwarte keel die scherp op het witte onderlichaam aansluiten. Een brede gele wenkbrauwstreep begint dicht bij het neusgat, loopt over het bruinrode oog en eindigt in een hangende, borstelige kuif. Het beste kenmerk zit aan de snavelbasis: rond de zware oranje snavel loopt een duidelijk, dun strookje kale roze huid. Van voren gezien lopen de twee kuiven in een V uiteen. Poten en voeten zijn vuilroze; jonge vogels hebben een kleinere, doffere snavel en een bleke, dunne wenkbrauwstreep.
Verwarringssoorten
De grote kuifpinguïn (Eudyptes sclateri) is groter (ongeveer vijfenzestig centimeter), heeft bleekblauwwitte in plaats van roze huid aan de snavelbasis en een kuif die rechtop staat en van voren evenwijdig loopt in plaats van in een V, en broedt alleen op de Bounty- en Antipodeneilanden. De fjordlandkuifpinguïn (Eudyptes pachyrhynchus) is even groot maar heeft slechts een dun zwart huidstrookje aan de snavelbasis, een smallere wenkbrauwstreep en drie tot zes witachtige streepjes op de zwarte wang, en broedt op het vasteland. De oostelijke rotspinguïn (Eudyptes filholi) is duidelijk kleiner met een dunne, evenwijdige gele streep en een veel lichtere snavel. Schlegels pinguïn (Eudyptes schlegeli) is groter en heeft een witte tot bleekgrijze wang en kin in plaats van zwart.
Leefgebied
Subantarctische en koel-gematigde zee rond de Snares, waar de vogels op kril, inktvis en kleine vis duiken en tijdens de broedtijd binnen enkele tientallen kilometers van het eiland blijven. Aan land broeden ze op de bosbodem onder het lage bos van Olearia (boommadeliefjes) en op kale veen- en rotsplateaus daarboven, in dichte groepen waar door het trappelen van duizenden poten geen plant overblijft. Van de kolonie naar zee lopen uitgesleten 'pinguïnwegen' de rotsen af.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Alleen de Snares-eilanden, ruim tweehonderd kilometer ten zuiden van het Zuidereiland: North East Island en Broughton Island dragen het leeuwendeel van de kolonies, de Western Chain-rotsjes enkele honderden paren met een eigen, later broedschema. Buiten de broedtijd zwerven de vogels over de subantarctische zee ten zuiden en westen van Nieuw-Zeeland. Ruiende of verzwakte exemplaren komen af en toe aan land op Stewarteiland en de zuidkust van het Zuidereiland; in Australië is de soort vrijwel niet vastgesteld.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Landen op de Snares is verboden, zodat je aangewezen bent op een subantarctische expeditiereis die tussen november en februari met zodiacs langs de noordoostkust vaart. Zoek dan naar de uitgesleten pinguïnwegen op de rots en naar de 'vlotten' van honderden vogels die voor de kust op elkaar liggen te wachten. Wie er geen boot bij heeft: elke kuifpinguïn op een Zuid-Nieuw-Zeelands strand is het bekijken waard, en de kale roze huidrand om de snavel is het kenmerk dat deze soort vastlegt.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar (VU), en dat ondanks een gezonde stand van ongeveer dertigduizend paren die, anders dan bij zes van de zeven andere kuifpinguïns, stabiel lijkt. De reden voor de categorie is de plek zelf: de hele wereldpopulatie zit op driehonderd hectare, zodat één ingevoerde rat, één olieramp of één ziekte-uitbraak de soort in korte tijd kan treffen. De eilanden zijn tot nu toe vrij van ingevoerde zoogdieren gebleven en zijn streng beschermd; die vrijheid bewaken is hier de hele instandhouding.
Wetenschappelijke naam
Eudyptes robustus | Oliver, 1953
De Nieuw-Zeelandse natuuronderzoeker Walter Oliver beschreef de soort in 1953 als Eudyptes robustus, op grond van anatomische verschillen met de vogels van het vasteland; in dat geslacht staat ze nog steeds, zodat auteur en jaartal zonder haakjes blijven. Het geslacht Eudyptes is van Vieillot, 1816, van het Griekse eu, 'goed', en dyptes, 'duiker'. robustus is Latijn voor 'krachtig, stevig gebouwd', naar de zware snavel en het gedrongen postuur. De typelocatie zijn de Snares-eilanden. Eerder had Hutton de vogel al atrata willen noemen, maar hij raakte zijn exemplaar kwijt voordat de beschrijving verscheen; de Maori-naam is pokotiwha.


