Alle soorten › Zangvogels › Prachtvinken › Gouldamadine
Gouldamadine | Chloebia gouldiae
Gouldian Finch | Diamante de Gould
De gouldamadine is de bontste vogel van de Australische savanne: grasgroen op de rug, paars op de borst, botergeel op de buik, met een lichtblauwe band om een zwart, rood of geel gezicht. Wie hem in het veld ziet, ziet hem meestal bij een drinkplaats in de late droge tijd, in een klein groepje dat snel en recht komt aanvliegen, even drinkt en weer verdwijnt.
Geluid
Een stille vogel met een opvallend verenkleed. De contactroep is een hoog, kort en ijl ssit of sit-sit, dat groepjes in de vlucht en bij het drinken voortdurend laten horen; het draagt niet ver. De zang van het mannetje is nog zachter: een gemompelde, sissende en ratelende reeks die van een paar meter afstand al nauwelijks te horen is, met aan het eind een serie droge klikjes. Baltsende mannetjes zingen met opgezette kopveren en wippende bewegingen, maar bijna geluidloos voor menselijke oren. Jonge vogels in het nest bedelen met een fijn, hoog gepiep.
Opname: Louis Masarei — CC BY-NC-SA 4.0 · Lake Argyle, Shire of Wyndham-East Kimberley, Western Australia, Australia · xeno-canto
Herkenning
Een kleine, compacte amadine van twaalf tot veertien centimeter met spitse, uitstekende middelste staartpennen. De rug en vleugels zijn helder grasgroen, de borst is diep violetpaars, de buik en onderstaart zijn botergeel, de stuit is lichtblauw. De kop is óf zwart, óf scharlakenrood, óf zeldzaam geeloranje, en wordt in alle gevallen omzoomd door een smalle lichtblauwe band. De snavel is ivoorwit met een gekleurde punt. Het vrouwtje heeft dezelfde tekening maar doffer, met een bleker paarse borst en kortere staartpennen. Let goed op die drie kopkleuren: dit zijn géén drie soorten en ook geen ondersoorten, maar drie kleurvormen van één en dezelfde populatie, die onderling gewoon door elkaar broeden. Ongeveer driekwart van de wilde vogels is zwartkoppig, ongeveer een kwart roodkoppig, en geelkoppige vogels zijn een grote zeldzaamheid — hooguit enkele op de duizend. Het rood-zwartverschil berust op één plek in het erfelijk materiaal en wordt via het geslacht doorgegeven; de gele vorm ontstaat doordat een tweede, afzonderlijk erfelijk kenmerk de rode kleurstof niet laat aanmaken. In één zwerm kunnen dus zwarte en rode koppen naast elkaar zitten. De jonge vogel wijkt sterk af: grijsgroen op de rug, vaalgrijs op de kop en vuilwit tot lichtbruin op de onderkant, zonder ook maar één van de volwassen kleuren, met een donkere snavel.
Verwarringssoorten
Volwassen vogels zijn onverwisselbaar. Het probleem zit bij de jongen, die kleurloos grijsgroen zijn en in dezelfde zwermen en bij dezelfde drinkplaatsen zitten als andere astrilden van het noorden. De spitsstaartamadine (Poephila acuticauda) is groter en zandbruin met een zwarte keelvlek, een lange zwarte spitse staart en een gele of rode snavel. De maskeramadine (Poephila personata) heeft een zwart masker rond de gele snavel en is eveneens zandbruin, nooit groen. De zonastrild (Neochmia phaeton) is roodgezicht met een lange rode staart en hangt aan permanent water met pandanus. Bichenows astrild (Stizoptera bichenovii) is klein, bruingrijs en zwart-wit gebandeerd op de borst. Wie een jonge gouldamadine wil vaststellen, kijkt naar het groene waas op de rug en het gezelschap: jongen vliegen vrijwel altijd met volwassen vogels mee. Pas ten slotte op voor ontsnapte kooivogels: in de vogelhouderij bestaan blauwe, witborstige en bleekgroene kleurvormen die in het wild niet voorkomen.
Leefgebied
Tropische savanne en open eucalyptusbos op stenige heuvels en hellingen, met gladschorsige eucalypten waarin de soort haar nestholtes vindt, en daaronder een laag van eenjarige grassen. Van die grassen — vooral wilde sorghum — leeft ze bijna het hele jaar. De gouldamadine is een van de weinige astrilden die niet zelf een grasnest bouwt maar in boomholtes broedt, en dat bindt haar aan oudere bomen. Daarnaast moet ze elke dag drinken, zodat de vogels nooit ver van een poel of kreek zitten. In de droge tijd trekken de groepen naar het laagland en de waterlopen, in de natte tijd naar de heuvels terug.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Noordelijk Australië, maar sterk versnipperd en veel kleiner dan een eeuw geleden. De grootste aantallen zitten in de Kimberley in het noorden van West-Australië en in het Top End van het Noordelijk Territorium, met het gebied rond de Yinberrie Hills bij Katherine als bekendste bolwerk. Verder oostelijk, in het Golfland en op het schiereiland Kaap York, is de soort tegenwoordig zeldzaam tot verdwenen; uit de Wet Tropics van Queensland is ze helemaal weg. Binnen dat areaal is ze zwervend: groepen verplaatsen zich tussen droge- en natte-tijdgebieden en kunnen jarenlang op een plek ontbreken.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga aan het eind van de droge tijd, tussen augustus en oktober, vroeg in de ochtend bij een poel of een veedrinkbak in savannebos zitten en wacht. De vogels komen in kleine groepjes, vliegen laag en snel aan, drinken kort en zijn binnen een minuut weer weg — luister naar het hoge, ijle ssit dat het aanvliegen aankondigt. Kijk daarbij meteen naar de kopkleur van elke vogel: in één groepje zwart en rood door elkaar zien is precies wat deze soort zo bijzonder maakt.
Staat van instandhouding
De soort geldt sinds de herbeoordeling van 2018 als niet bedreigd (LC) op de wereldlijst — daarvoor stond ze lang als bedreigd en daarna als gevoelig te boek. Die verlaging kwam er niet omdat het beter ging met het leefgebied, maar omdat beter onderzoek liet zien dat de populatie groter is dan gedacht. In Australië zelf staat de gouldamadine nog altijd op de nationale lijst van bedreigde soorten. De oorzaken van de eerdere ineenstorting werken door: veranderde brandregimes, waarbij late, hete branden in de droge tijd de graszaadvoorraad wegnemen precies wanneer de vogels die nodig hebben, en begrazing door vee die dezelfde grassen kort houdt. Daarnaast verdwijnen holtedragende oude eucalypten. Het massale wegvangen voor de vogelhandel, tot in de jaren zeventig een zware druk, is sinds het Australische uitvoer- en vangverbod van 1981 gestopt; de luchtzakmijt die destijds als oorzaak werd aangewezen, blijkt vooral een probleem van gevangen vogels. Beheer met koele branden vroeg in het seizoen is de belangrijkste maatregel.
Wetenschappelijke naam
Chloebia gouldiae | (Gould, 1844)
John Gould beschreef de soort in 1844 als Amadina gouldiae en noemde haar naar zijn vrouw Elizabeth Gould, die de platen voor zijn boeken over Australische vogels tekende en kort daarvoor was overleden; de Engelse naam Gouldian Finch en de Nederlandse naam gouldamadine gaan daar allebei op terug. Omdat de soort sindsdien naar een ander geslacht is verhuisd, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Chloebia werd in 1862 door Reichenbach ingesteld en verwijst naar het jonge groen van gras. De soort is lang bij de papegaaiamadines in Erythrura ondergebracht; het afzonderlijke geslacht wordt nu weer gevolgd. De typelocatie is de Victoria River in het Noordelijk Territorium.



