Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Gould-stormvogel

Gould-stormvogel | Pterodroma leucoptera

Gould's Petrel | Petrel aliblanco

De Gould-stormvogel is de enige stormvogel van het geslacht Pterodroma die op eilanden vlak voor het Australische vasteland broedt, en wel in een handvol steile ravijnen bij Port Stephens. Het is een kleine, zwart-wit getekende vogel met een scherpe donkere kap en een brede zwarte rand langs de ondervleugel.

Gould-stormvogel (Pterodroma leucoptera)
Foto: Christopher Watson — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee zwijgt hij. Boven de kolonie klinkt 's nachts een snel, krekelachtig tit-tit-tit-tit uit de lucht, en vanaf de grond hoge, piepende pie-pie-pie-pjoe-tonen afgewisseld met een laag, trillend grommen vanuit het hol. Op Cabbage Tree Island is dat geluid vanaf november tot in het najaar het achtergrondgeluid van de nacht.

Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een kleine stormvogel van dertig centimeter met een wit gezicht en een opvallend donkere, scherp begrensde kap die van de kruin tot over de wangen loopt — het kenmerk waarmee hij zich van alle bleekkoppige kleine verwanten scheidt. De mantel is lichtgrijs en contrasteert met een donkergrijze stuit en een donkere M over de vleugels. De onderdelen zijn wit; de ondervleugel is wit met een brede zwarte rand langs de achterrand en de punt, en met een donkere schuine balk die van de voorrand naar het lichaam toe loopt. De snavel is klein en zwart. De vlucht is snel en wendbaar, met hoge bogen en veel tussenliggende slagen.

Verwarrings­soorten

De Cook-stormvogel (Pterodroma cookii), de Pycroft-stormvogel (Pterodroma pycrofti) en de zwartvleugelstormvogel (Pterodroma nigripennis) zijn alle drie ongeveer even groot, maar hebben een duidelijk lichtere, grijze kop zonder de donkere kap van de Gould-stormvogel; bij de Cook-stormvogel is bovendien de ondervleugel vrijwel geheel wit, tegenover de brede zwarte omranding hier. De chathamstormvogel (Pterodroma axillaris) heeft een vaag gespikkeld, licht voorhoofd en een zwart okselveld waar de vleugel het lichaam raakt; die zwarte oksel ontbreekt bij de Gould-stormvogel. In het kort: donkere kap plus brede zwarte ondervleugelrand is gould, lichte kop plus witte ondervleugel is cook, lichte kop plus zwarte oksel is chatham. Wie op zee alleen een klein, snel buitelend silhouet ziet, kan dit drietal niet scheiden en doet er goed aan dat toe te geven.

Leefgebied

Open zee boven diep water buiten het continentaal plat, vooral in de Tasmanzee en de tropische Grote Oceaan. Voor het broeden komt hij aan land op steile, rotsige ravijnhellingen onder bos van kool- en waaierpalmen, waar hij zijn nest legt in spleten tussen rotsblokken, in holle omgevallen palmstammen en tussen de wortelplaten van vijgenbomen — geen gegraven hol, maar een natuurlijke nis.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

De Australische populatie broedt op Cabbage Tree Island bij Port Stephens in Nieuw-Zuid-Wales, met kleinere aantallen op drie naburige eilandjes waaronder Boondelbah, en sinds kort ook op Barunguba ofwel Montague Island verder naar het zuiden, waar inmiddels ruim veertig paren zitten. Daarnaast broedt een aparte ondersoort in het bergland van Grande Terre op Nieuw-Caledonië, tussen de Mont Dzumac en Poya. Op zee is hij van oktober tot april in de Tasmanzee voor de kust van Nieuw-Zuid-Wales te verwachten; in Nieuw-Zeeland is hij alleen bekend van ruim dertig op het strand gevonden vogels, vooral tussen november en juni. Buiten de broedtijd trekt hij noordoostwaarts tot in de centrale en oostelijke Grote Oceaan.

  • Broedvogel (zomer)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Neem een pelagische tocht uit Port Stephens of Sydney tussen november en maart; de vogels passeren dan op weg van en naar Cabbage Tree Island en komen soms tot vlak bij de boot. Kijk als eerste naar de kop: alleen bij deze soort staat er een echte donkere kap tegen een wit gezicht. De kolonie zelf is natuurreservaat en niet vrij toegankelijk.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar (VU), met een wereldpopulatie die op drie- tot eenentwintigduizend vogels wordt geschat, maar met een Australisch verhaal dat als schoolvoorbeeld geldt. Begin jaren negentig telde Cabbage Tree Island nog maar 186 tot 252 paren, met een broedsucces van minder dan twintig procent. Twee oorzaken bleken beslissend: volwassen vogels raakten verstrikt in de kleverige vruchten van de vogellijmboom (Pisonia umbellifera), die door begrazing van konijnen sterk was toegenomen, en bonte klauwierkraaien (Strepera graculina) en Australische raven maakten jacht op broedvogels. Na bestrijding van die predatoren, het uitroeien van de konijnen in 1997 en het plaatsen van kunstnesten steeg het broedsucces naar gemiddeld 49 procent en groeide de kolonie tot ruim duizend paren; door jongen over te brengen ontstond bovendien een tweede kolonie op Boondelbah. De Nieuw-Caledonische populatie gaat daarentegen achteruit door ingevoerde roofdieren.

Wetenschappelijke naam

Pterodroma leucoptera | (Gould, 1844)

John Gould beschreef de soort in 1844 als Procellaria leucoptera; omdat ze sindsdien in een ander geslacht staat, gaan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pterodroma werd in 1856 ingevoerd door Bonaparte, uit het Grieks voor 'vleugel' en 'loper'. leucoptera betekent 'witvleugelig' en slaat op het witte veld op de ondervleugel — een keuze die achteraf ongelukkig oogt, want juist de brede zwarte omranding daarvan is het kenmerk dat de soort determineert; de Spaanse naam bewaart Goulds keuze letterlijk. De typelocatie is Cabbage Tree Island bij Port Stephens in Nieuw-Zuid-Wales, tot op vandaag het hart van de soort, en de Nederlandse en Engelse naam eren de beschrijver zelf.