Alle soorten › Zangvogels › Prachtvinken › Gordelamadine

Gordelamadine | Poephila cincta

Black-throated Finch | Diamante gorjinegro

De gordelamadine is een kleine, grijskoppige grasvink van noordoostelijk Australië, genoemd naar de zwarte keelband die als een gordel onder de kin hangt. Hij leeft het hele jaar in kleine, luidruchtige groepjes in grazig eucalyptusbos, nooit ver van drinkwater. In het zuiden van zijn areaal is hij zo sterk achteruitgegaan dat de zuidelijke ondersoort tot de meest besproken bedreigde vogels van Australië hoort.

Gordelamadine (Poephila cincta)
Foto: Dominic Sherony — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het contactgeluid is een helder, wat klagend fluitje, dat vogels in een groepje voortdurend heen en weer roepen — het verraadt de soort vaak eerder dan het oog hem vindt. Bij onraad volgt een korte, droge alarmnoot. De zang van het mannetje is een zacht, haperend gekwetter van piepende en ratelende tonen, met gesloten snavel gebracht en alleen van dichtbij hoorbaar; het is geen lied dat over een vlakte draagt, maar iets dat hij op een tak naast het vrouwtje mompelt.

Luister: RoepXC326235

Opname: Pieter de Groot Boersma — CC BY-NC-SA 4.0 · Biboohra, Mareeba Shire, Queensland, Australia · xeno-canto

Herkenning

Een gedrongen vinkje van tien centimeter en een gram of vijftien. Kop en nek zijn zacht blauwgrijs, met een zwarte teugel en een brede zwarte keelbef die van de kin over de keel doorloopt en onderaan recht is afgesneden. De snavel is kort, kegelvormig en zwart — het belangrijkste kenmerk in dit drietal. Rug, vleugels en borst zijn warm kaneelbruin, de buik lichter, met een zwarte flankvlek die door een witte streep van de bruine borst is gescheiden. De stuit is wit bij de zuidelijke ondersoort en zwart bij de noordelijke; de staart is zwart en kort, met een rechte punt, niet verlengd. Man en vrouw zijn gelijk; jonge vogels zijn doffer en hebben een grijszwarte snavel en een vage bef.

Verwarrings­soorten

De drie grasamadines onderscheid je aan snavelkleur en bandpatroon. De spitsstaartamadine (Poephila acuticauda) heeft eveneens een grijze kop en een zwarte bef, maar is met vijftien tot zestien centimeter veel langer door de sterk verlengde, spits toelopende staart, en haar snavel is geel of oranjerood — nooit zwart. De maskeramadine (Poephila personata) heeft een wasgele snavel, een bruine in plaats van grijze kop, en het zwart beperkt zich tot een masker rond de snavelbasis en de kin; het loopt niet als een brede band over de keel. Bichenows astrild (Stizoptera bichenovii) is kleiner, heeft een wit gezicht met een zwarte omlijsting en twee zwarte dwarsbanden, en mist de grijze kop geheel.

Leefgebied

Open, grazig eucalyptus- en melaleucabos met een doorlopende grasvloer van meerjarige soorten, vrijwel altijd binnen enkele honderden meters van permanent drinkwater. Hij gebruikt ook ontgonnen weiland met overgebleven bomen, mits er zaaddragend gras staat. Zaad van meerjarige grassen is zijn hoofdvoedsel; in de broedtijd komen daar insecten bij.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Noordoostelijk Australië. De noordelijke ondersoort atropygialis bewoont Kaap York zuidwaarts tot ongeveer de omgeving van Townsville. De zuidelijke ondersoort cincta reikte oorspronkelijk van centraal Queensland tot het bovenstroomse Hunterdal in Nieuw-Zuid-Wales, maar is vrijwel geheel teruggedrongen tot een restareaal rond Townsville en Charters Towers; uit Nieuw-Zuid-Wales zijn al tientallen jaren geen zekere waarnemingen meer.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga aan het eind van de ochtend bij een veedam of een drinkplaats in grazig open bos zitten en wacht: kleine groepjes vinken komen daar kort drinken. Zet de verrekijker eerst op de snavel — zwart maakt het de gordelamadine, geel of rood een van de twee andere.

Staat van instandhouding

Als soort niet bedreigd (LC), vooral dankzij de noordelijke ondersoort. Het verhaal zit in de zuidelijke ondersoort Poephila cincta cincta, de 'southern black-throated finch', die onder de Australische EPBC-wetgeving als Endangered staat. Haar areaal is met ruim tachtig procent gekrompen, ze is uit Nieuw-Zuid-Wales verdwenen en het zwaartepunt ligt nu op de kustvlakte bij Townsville en aan de rand van het Galileebekken — waar het geplande Carmichael-kolenmijnproject de soort tot een landelijke politieke kwestie maakte. De drukfactoren zijn het opruimen van grazig open bos, overbegrazing die de meerjarige graszaden wegneemt, veranderde brandregimes en verlies van drinkwater.

Wetenschappelijke naam

Poephila cincta | (Gould, 1837)

Gould beschreef de soort in 1837 als Amadina cincta, naar vogels uit het binnenland van Nieuw-Zuid-Wales (het bovenstroomse Hunterdal); omdat ze van geslacht is veranderd, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Poephila stelde Gould in 1842 in: Grieks poa 'gras' en philos 'beminnend', de grasbeminnende vinken. cincta is Latijn voor 'omgord', naar de zwarte keelband — dezelfde gedachte als de Nederlandse naam gordelamadine. Er worden twee ondersoorten onderscheiden, cincta met witte stuit in het zuiden en atropygialis met zwarte stuit op Kaap York; sommige auteurs hebben ze als aparte soorten behandeld.