Alle soorten › Zangvogels › Honingeters › Geschubde lelhoningeter
Geschubde lelhoningeter | Anthochaera phrygia
Regent Honeyeater | Mielero regente
De geschubde lelhoningeter is de meest bedreigde honingeter van Australië: een zwarte vogel met een citroengele rug, gele vleugelvlekken, gele staartranden en een onderzijde die van zwart naar geel overgaat in een fijn geschubd patroon. Rond het oog zit een blok wrattige, geelachtige huid. Van deze vogel leven er nog geen tweehonderdvijftig in het wild.
Geluid
Een zacht, vloeiend en wat metaalachtig deuntje van enkele klokkende, bellende noten, veel minder rauw dan bij de andere lelhoningeters. Juist het geluid is bij deze soort een verhaal op zichzelf geworden: doordat er zo weinig volwassen mannetjes over zijn, vinden jonge vogels geen soortgenoot meer om van te leren en zingen sommige van hen inmiddels de zang van andere honingeters na. Onderzoekers van de Australian National University en Taronga Zoo hebben daarom in de dierentuin jonge mannetjes met opnamen en met twee in het wild geboren leermeesters de oorspronkelijke soortzang aangeleerd — een reddingsactie voor een lied.
Opname: Ross Crates — CC BY-NC-SA 4.0 · Capertee National Park, New South Wales, Australia · xeno-canto
Herkenning
Een middelgrote honingeter van twintig tot vierentwintig centimeter en ruim veertig gram, met een licht gebogen zwarte snavel. Kop, hals en bovenborst zijn zwart; de rug en de onderzijde zijn bleek citroengeel, waarbij elke veer een zwarte zoom heeft, zodat borst en buik geschubd of geschakeld lijken. De zwarte vleugel draagt een breed geel paneel en de zwarte staart brede gele randen, die in de vlucht fel opvallen. Rond het oog ligt bij het mannetje een uitgebreid veld wrattige, bleekgele naakte huid; het vrouwtje is kleiner, heeft minder zwart op de keel en een kleiner huidveld. Jonge vogels zijn doffer en bruiner, met een geelbruine ondersnavel.
Verwarringssoorten
Hij lijkt op geen enkele andere lelhoningeter: de roodlelhoningeter (Anthochaera carunculata), de geellelhoningeter (Anthochaera paradoxa), de kleine lelhoningeter (Anthochaera chrysoptera) en de westelijke lelhoningeter (Anthochaera lunulata) zijn alle veel groter, grijsbruin en gestreept in plaats van zwart-geel geschubd. De echte valkuil is de witvoorhoofdhoningeter (Purnella albifrons), die kleiner is en ook een donkere, gestreepte indruk maakt, maar die het wrattige gele oogveld en de gele staartranden mist en een wit voorhoofd heeft. Op afstand kan ook een jonge roodlelhoningeter even verwarren; die is dan nog altijd groter, langer van staart en zonder geel in de vleugel. Elke melding van deze soort verdient een foto — hij is zo zeldzaam dat de kans op een verkeerde determinatie groter is dan de kans op de vogel zelf.
Leefgebied
Droog eucalyptusbos en open bos op de westhellingen van het Groot Australisch Scheidingsgebergte, met een sterke voorkeur voor box-ironbarkbos (droog eucalyptusbos van box- en ironbark-soorten) en voor de rivierbossen met river oak en rode gomboom langs de kreken. Hij volgt de nectar van een handvol sleutelbomen — geelbox, witbox, mugga ironbark (eucalyptus met diep gegroefde, harde schors), gespikkelde gomboom — en van maretakken, en is daardoor sterk nomadisch: het ene jaar broedt hij in de Capertee Valley, het volgende honderden kilometers verderop, afhankelijk van waar het bloeit.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Vroeger van Rockhampton in Queensland tot Adelaide in Zuid-Australië; nu nog slechts een handvol kerngebieden in Nieuw-Zuid-Wales en Noordoost-Victoria — vooral de Capertee Valley, de Lower Hunter Valley, de Bundarra-Barraba-streek en het gebied rond Chiltern. Daarbuiten duiken zwervers onregelmatig op tot aan de zuidkust van Queensland. Het verspreidingsgebied is niet alleen kleiner geworden maar ook los van elkaar komen te liggen, wat het voor de weinige overgebleven vogels moeilijk maakt elkaar te vinden.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem niet in het wilde weg maar bij de bloei: in augustus tot oktober bij bloeiende ironbark en geelbox in de Capertee Valley of rond Chiltern, en let op maretakken, want die trekken hem ook buiten de eucalyptusbloei. Kijk elke groep drukke honingeters bij een bloeiende boom systematisch na op geel in de vleugel en in de staart. Zie je hem, geef de waarneming dan door — bij deze soort telt elke vondst mee voor het herstelprogramma.
Staat van instandhouding
Ernstig bedreigd (CR) op de Rode Lijst van de IUCN en onder de Australische EPBC-wet, en volgens Australische analyses een van de tien Australische vogels met de grootste kans op uitsterven. Er leven nog minder dan tweehonderdvijftig vogels in het wild. De oorzaak is in de eerste plaats het grootschalig verdwijnen van het box-ironbarkbos en het rivierbos van de westhellingen, dat juist op de vruchtbare, vlakke gronden stond die als eerste voor landbouw zijn ontgonnen; wat overbleef is versnipperd en verarmd. Daar bovenop komt de concurrentie om nectar met grotere, agressieve honingeters in die restfragmenten, predatie van nesten, en de bosbranden van 2019-2020, die een groot deel van de bekende broedgebieden troffen. Het herstelprogramma leunt op drie pijlers: herplanting van nectarbomen in de kerngebieden, een kweekprogramma bij Taronga Zoo en Taronga Western Plains Zoo met uitzettingen in onder meer de Lower Hunter Valley en bij Chiltern, en — heel ongebruikelijk — het herstel van de zangcultuur, omdat de dierentuinpopulatie inmiddels de laatste bewaarplaats van het oorspronkelijke soortlied is geworden. Van de gekweekte mannetjes zingt na dat leerprogramma meer dan de helft weer de oude wilde zangvariant.
Wetenschappelijke naam
Anthochaera phrygia | (Shaw, 1794)
George Shaw beschreef de soort in 1794 als Merops phrygius, bij de bijeneters dus; omdat ze later verhuisde staan auteur en jaartal tussen haakjes. phrygia verwijst naar Frygië in Klein-Azië, waarvan de bewoners in de oudheid befaamd waren om hun met goud doorweven borduurwerk — precies het beeld dat het zwart-gele, geschubde verenkleed oproept. Lang stond de soort in een eigen geslacht Xanthomyza ('geelzuiger'); een moleculair onderzoek uit 2004 bracht haar bij de lelhoningeters Anthochaera onder, een naam die uit het Griekse anthos, bloem, en khairo, genieten van, is gevormd. In het Engels heette ze vroeger warty-faced honeyeater, naar de wrattige huid rond het oog; de huidige naam regent honeyeater en het Nederlandse 'geschubde' slaan allebei op het vorstelijke, geborduurde kleed.


