Alle soorten › Zangvogels › Honingeters › Geelmaskerhoningeter
Geelmaskerhoningeter | Caligavis chrysops
Yellow-faced Honeyeater | Mielero carigualdo
De geelmaskerhoningeter is een van de gewoonste en best gemelde vogels van oostelijk Australië, met bijna vierhonderdduizend waarnemingen in tien jaar. Hij is verder grijsbruin, maar de gele streep die dwars over het oog loopt, zwart omrand boven en onder, is van een afstand te zien en maakt hem onmiskenbaar. Kenmerkend is de trek: in het vroege najaar schuiven honderdduizenden vogels in losse troepen langs de oostkust noordwaarts, een van de weinige echte massatrekbewegingen van Australische zangvogels.
Geluid
Een vroege zanger die al ver voor zonsopgang begint, luid, vol en zeer gevarieerd. De meest genoemde strofe klinkt als tsjik-up, tsjik-up, in een rustig tempo herhaald. De territoriumroep is een langgerekt priet met een opwaartse buiging, de alarmroep een hard trillend gefluit. Als contactroep klinkt een levendig tweelettergrepig terrik, terrik of poet-poet, poet-poet, en dat is het geluid dat men tijdens de trek van overvliegende troepen hoort.
Opname: Romuald Mikusek — CC BY-NC-SA 4.0 · Devils River, Murrindindi Shire, Victoria, Australia · xeno-canto
Herkenning
Een middelkleine, slanke honingeter van vijftien tot zeventieneneenhalve centimeter, met een licht omlaaggebogen zwarte snavel en een crèmekleurige mondhoek. De bovendelen zijn donker grijsbruin tot olijfbruin, de onderdelen bleek grijsbruin met fijne donkere streping op kin, keel en borst en een lichtgrijze buik. Het kenmerk is het gezicht: een smalle gele streep die boven de mondhoek begint, breder wordt en onder het oog doorbuigt naar een klein wit oorvlekje, met een zwarte rand erboven en eronder; achter het oog zit een geel tot vuilwit vlekje in die zwarte rand. De iris is dofblauw bij volwassen vogels en bruin bij jonge vogels, die ook de streping op de kop missen. De poten zijn grijsbruin. Man en vrouw zijn gelijk, het mannetje iets groter.
Verwarringssoorten
De gele streep loopt dwars dóór het oog en niet eronder — dat is het snelste onderscheid met vrijwel alle verwanten. De bontbekhoningeter (Bolemoreus frenatus) en de eungellahoningeter (Bolemoreus hindwoodi), beide uit hetzelfde ex-Lichenostomus-complex, zijn fors groter, hebben een witte halsvlek en missen de gele gezichtsstreep; de eerste heeft bovendien een geel-met-zwarte snavel. De geeloorhoningeter (Meliphaga lewinii) heeft een halvemaanvormige gele vlek op de oorstreek in plaats van een streep door het oog. De geelpluimhoningeter (Lichenostomus melanops) heeft een zwart masker met een felgele pluim en een gele keel. Van de Ptilotula-honingeters, zoals de witpluimhoningeter (Ptilotula penicillata) en de brilhoningeter (Ptilotula fusca), scheidt de zwart omrande gele streep hem eveneens: die soorten hebben een witte of geelwitte pluim of streep zonder zwarte omranding. De fluithoningeter (Gavicalis virescens) ten slotte is groter, valer en heeft een gele streep die onder het oog blijft.
Leefgebied
Open sclerofylbos en open bos in de ruimste zin, van kustduin tot subalpiene hoogte, met een voorkeur voor bos van spotted gum (eucalyptus met gevlekte, afschilferende stam, oostkust) met ironbark (eucalyptus met diep gegroefde, harde schors) en stringybark (eucalyptus met lange, vezelige schorsstroken) en een lichte struiklaag. Daarnaast droog bos met Angophora, acacia, banksia of casuarina, hoog gelegen alpine ash en snow gum, rivierbos langs kreken, kustheide met bloeiende banksia's en plaatselijk mangrove. Hij is ook een vaste gast in tuinen, parken en stedelijk groen. Het voedsel bestaat voor ongeveer veertig procent uit nectar en voor zestig procent uit insecten — vliegen, kevers, spinnen — aangevuld met stuifmeel van banksia en grevillea, vruchten en zaden. Het nest is een fijn geweven kom van mos en plantenvezel, laag in de onderlaag of in een tuinstruik; het legsel telt twee of drie eieren, en koekoeken parasiteren er geregeld op.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Endemisch in Australië, in een brede boog over het oosten en zuidoosten: van de omgeving van Cooktown in het uiterste noorden van Queensland, binnen een lijn van Charters Towers zuidwaarts naar Albury en de kust, westwaarts tot het Fleurieu-schiereiland en de Mount Lofty Ranges in Zuid-Australië. Hij is gedeeltelijk trekvogel: tussen maart en mei trekken honderdduizenden vogels noordwaarts naar zuidelijk Queensland, om in juli en augustus terug te keren en in zuidelijk Nieuw-Zuid-Wales en Victoria te broeden. De trek gaat in opeenvolgende troepen van tien tot honderd vogels, soms meer dan duizend; op één dag in mei 1965 werden bij Hastings Point in Nieuw-Zuid-Wales meer dan honderdduizend langstrekkende vogels geteld. Onderzoek wijst erop dat de vogels zich daarbij op de inclinatie van het aardmagnetisch veld oriënteren. In Nieuw-Zeeland komt de soort niet voor.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
In het zuidoosten is hij het hele jaar in tuinen en parken te zien; zoek hem aan een bloeiende banksia of grevillea en let op de gele streep dwars door het oog. Het echte schouwspel is de trek: sta in april of begin mei op een kustkaap of een bergpas in Nieuw-Zuid-Wales of zuidelijk Queensland en kijk in de eerste twee uur na zonsopgang naar het noorden. De troepen komen laag over, roepen aanhoudend terrik, terrik, en volgen kustlijnen, kammen en riviervalleien als leidraad. Op zulke ochtenden trekken er ook andere honingeters mee, dus let per troep op het kopteken.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), gewoon en wijdverspreid, met plaatselijke dichtheden van 0,01 tot bijna acht vogels per hectare. De soort houdt goed stand in aangetast en verstedelijkt landschap, mits er bloeiende struiken en bomen staan. In enkele boomgaarden geldt ze als schadelijk omdat ze rijpend fruit aanpikt. Het enige structurele aandachtspunt is de trekroute: een vogel die in het najaar in troepen langs de kust schuift, is afhankelijk van een doorlopende keten van bloeiend bos over honderden kilometers, en die keten wordt door versnippering dunner.
Wetenschappelijke naam
Caligavis chrysops | (Latham, 1801)
John Latham beschreef de soort in 1801 als Sylvia chrysops; omdat ze sindsdien meermaals van geslacht is gewisseld, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het epitheton chrysops is Grieks voor 'goudgezicht', uit khrysos (goud) en het woord voor gezicht, en slaat rechtstreeks op de gele gezichtsstreep — de Nederlandse naam geelmaskerhoningeter, de Engelse Yellow-faced Honeyeater en de Spaanse mielero carigualdo zeggen alle drie hetzelfde. Het geslacht Caligavis werd in 2011 ingevoerd toen het oude verzamelgeslacht Lichenostomus op grond van moleculair onderzoek uiteenviel; de naam komt van Latijn caligo (nevel, duisternis) en avis (vogel). Genetisch onderzoek wijst uit dat de soort zich ongeveer zeven miljoen jaar geleden van de overige Caligavis-soorten afsplitste, die op Nieuw-Guinea leven.




