Alle soorten › Zangvogels › Sprinkhaanzangers › Dwerggrasvogel
Dwerggrasvogel | Poodytes gramineus
Little Grassbird | Yerbera chica
De dwerggrasvogel is in de meeste Australische moerassen een geluid en geen vogel. Uit het riet komt in de schemering een dun, klaaglijk fluitje van drie noten, met lange stiltes ertussen, en wie daarop afgaat ziet doorgaans niets: het diertje blijft onderin en verplaatst zich muisachtig door de stengels. Het is de kleinere van de twee soorten van het geslacht Poodytes, fijn gestreept van kruin tot borst, en het is in het zuiden van Australië de gewoonste vogel die bijna nooit gezien wordt.
Geluid
Het geluid is de soort. Het is een hoog, dun en klaaglijk fluitje van drie noten, waarvan de eerste los staat en de twee volgende er snel achteraan komen — bij benadering pieee ... pie-pie — met tussen de reeksen gemakkelijk tien of twintig seconden stilte. De toon is zuiver en zonder enige ruwheid en klinkt door het riet alsof hij van overal tegelijk komt; het is bijzonder lastig te bepalen waar de vogel zit, en waarnemers overschatten de afstand stelselmatig. Gezongen wordt vooral in de vroege ochtend en in het laatste uur voor donker, maar in het broedseizoen ook 's nachts. Daarnaast is er een kort, hard tsjik bij verstoring. Wie het fluitje eenmaal kent, hoort de soort op vrijwel elk moeras van formaat in het zuiden van het continent.
Opname: Greg McLachlan — CC BY-NC-SA 4.0 · Wallerawang, Lithgow City Council, New South Wales, Australia · xeno-canto
Herkenning
Een klein, donker, langstaartig moerasvogeltje van dertien tot vijftien centimeter dat door het riet klautert in plaats van te vliegen. De bovendelen zijn donker grijsbruin met zware zwarte lengtestreping op kruin, nek en rug; het kenmerk waar het om draait is dat de streping dóórloopt naar de onderkant: keel en borst dragen fijne donkere streepjes op een vuilwitte tot licht beige ondergrond, en dat onderscheidt de soort van elke andere kleine moerasvogel van Australië. De staart is lang, getrapt en vaak rafelig en wordt hangend gedragen; bij het overvliegen van een sloot oogt de vogel daardoor achterlastig. Over het oog loopt een smalle bleke wenkbrauwstreep, de snavel is fijn en donker, de poten zijn stevig en vleeskleurig. Man en vrouw zijn gelijk.
Verwarringssoorten
De rosse grasvogel (Cincloramphus timoriensis) staat in hetzelfde moeras maar is een derde groter, heeft een roodbruine kruin en, doorslaggevend, volstrekt ongestreepte onderdelen. De Australische karekiet (Acrocephalus australis) is groter, effen olijfbruin zonder enige streping en heeft een langere rechte snavel en een luidruchtige ratelzang. De goudkopgraszanger (Cisticola exilis) is korter van staart, lichter van kleur en zit in droger gras; bovendien zingt hij vanaf een uitstekende stengel, wat de dwerggrasvogel zelden doet. De spinifexzanger (Poodytes carteri) van het droge binnenland is ongestreept op de borst en overlapt in het moeras niet. De varengrasvogel (Poodytes punctatus), de enige andere soort van het geslacht, is groter en zwaarder gevlekt en komt uitsluitend in Nieuw-Zeeland voor, zodat de twee elkaar nergens ontmoeten. Bij twijfel geldt: streping op de borst plus het drietonige fluitje is afdoende.
Leefgebied
Dichte, laag blijvende moerasvegetatie boven water of drassige bodem: riet, biezen, zeggen en lisdodde langs meren, poelen, kreken en sloten, verder lignumstruweel in het binnenland, zoutkwelder en samphire (laag, vlezig zoutmoerasstruweel op getijdenslib) aan de kust, en in ruime mate de rietkragen van bezinkbekkens en afvalwatervijvers, waar de soort vaak in hoge dichtheid zit. De vogel heeft geen open water nodig maar wel natte voeten onder de vegetatie, en hij blijft vrijwel altijd binnen een meter of twee van de bodem. Droogvallende moerassen worden verlaten zodra de bodem hard wordt; bij het weer vollopen keert de soort snel terug.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Het zuiden en oosten van Australië met inbegrip van Tasmanië, het zuidwesten van West-Australië, en verspreid over vrijwel het hele binnenland overal waar permanent of halfpermanent water met rietbegroeiing ligt. Daarbuiten komt de soort voor in het hoogland van Nieuw-Guinea. Er is geen trek in de gewone zin, maar wel een aanzienlijke verplaatsing tussen moerassen: bij droogte verdwijnen binnenlandse populaties en concentreren de vogels zich in de blijvende wetlands van de kuststrook en langs de grote riviersystemen, om na regenval het binnenland weer op te vullen. Die beweging is nauwelijks te volgen, omdat de vogels zich uitsluitend door hun geluid laten tellen.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in de schemering aan de rand van een rietkraag staan en luister; het zoeken met de kijker levert vrijwel niets op. Speel het geluid niet af maar wacht, want de soort reageert er slecht op en het verstoort de broedvogels. Wie de vogel wil zien, moet de smalle overgangen opzoeken waar het riet aan een greppel of een open bermsloot grenst: daar steekt hij soms een meter open ruimte over, laag en met hangende staart. Bezinkbekkens met rietkragen zijn de betrouwbaarste plekken van allemaal, ook midden op de dag. Windstil, vochtig weer is doorslaggevend, want de zang is zacht en de stiltes tussen de reeksen zijn lang.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC): de soort is wijdverspreid, talrijk en niet kieskeurig zolang er natte dekking is. Zij is een van de weinige Australische moerasvogels die duidelijk hebben geprofiteerd van menselijk werk, want de rietkragen van rioolwaterzuiveringen, irrigatiekanalen en veedrinkpoelen leveren precies het gevraagde leefgebied. Daartegenover staat het verlies van natuurlijke moerassen in het zuidoosten, waar drooglegging, wateronttrekking uit de grote riviersystemen en het inkorten van rietkragen door vee hun werk hebben gedaan; in het Murray-Darlingbekken hangt de aanwezigheid van de soort rechtstreeks aan het waterbeheer. Omdat zij vrijwel alleen op geluid wordt vastgesteld, zijn landelijke trends onzeker en berusten ze op een beperkt aantal gestandaardiseerde tellingen.
Wetenschappelijke naam
Poodytes gramineus | (Gould, 1845)
Gould beschreef de vogel in 1845 als Sphenoeacus gramineus, naar materiaal uit Tasmanië; omdat de soort inmiddels elders is ondergebracht, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het epitheton gramineus is Latijn voor 'grasachtig, van het gras', van gramen, 'gras'. Het geslacht Poodytes werd in 1851 door Cabanis ingevoerd uit het Griekse poa, 'gras', en dutes, 'duiker' — een naam die het gedrag goed treft, want het beeld van een vogel die in het gras wegduikt is precies wat men ervan te zien krijgt. De soort heeft lang in het ruime geslacht Megalurus gestaan; moleculair onderzoek heeft dat geslacht in de eenentwintigste eeuw uiteengelegd, waarbij deze soort samen met de varengrasvogel en de spinifexzanger naar Poodytes ging en de Australische zangvogels van het open land naar Cincloramphus. De Nederlandse naam dwerggrasvogel en de Engelse Little Grassbird kiezen de maat; de Spaanse yerbera chica doet hetzelfde.




