Alle soorten › Zangvogels › Prachtvinken › Diamantastrild
Diamantastrild | Stagonopleura guttata
Diamond Firetail | Diamante moteado
De diamantastrild is de grootste en zwaarstgebouwde astrild van Australië, en met zijn karmijnrode snavel, rode oogring, vuurrode stuit en de rij witte 'diamanten' op zwarte flanken ook de meest opvallende. Hij hoort bij het grazige eucalyptusbos van het zuidoosten — een landschapstype dat zo sterk is opgeruimd dat de soort intussen als kwetsbaar te boek staat.
Geluid
Het geluid is even karakteristiek als het verenkleed: een lang uitgerekt, nasaal en klagend geblaat, ongeveer als een langgerekt 'twoo-hie', dat traag wordt herhaald en over een open bos ver draagt. Het klinkt eerder droevig dan muzikaal en verraadt de soort vaak vanaf een kale tak. De zang van het mannetje is een zachte, gerekte versie van dezelfde noot, aangevuld met een paar krassende tonen en gebracht tijdens een baltsdans waarbij hij met een grashalm in de snavel op en neer wipt.
Opname: Eddy Smith — CC BY-NC-SA 4.0 · Monarto Woodlands (near Monarto), The Rural City of Murray Bridge, South Australia, Australia · xeno-canto
Herkenning
Twaalf centimeter en bijna achttien gram: een korte, dikke, bolle vogel die eerder aan een kleine gors dan aan een astrild doet denken. De kop is grijs, de rug grijsbruin, keel en onderdelen zijn zuiver wit. Dwars over de bovenborst ligt een brede, scherp begrensde zwarte band die aan weerszijden doorloopt in zwarte flanken met twee tot drie rijen ronde witte vlekken — de diamanten van de naam. Snavel en oogring zijn helder karmijnrood; stuit en bovenstaartdekveren zijn scharlaken, de staart zwart. Man en vrouw zien er gelijk uit. Jonge vogels hebben een zwarte snavel, missen de borstband en hebben dof gevlekte flanken.
Verwarringssoorten
Binnen het geslacht is verwarring vooral theoretisch, want de arealen overlappen nauwelijks. De vuurstaartastrild (Stagonopleura bella) van de zuidoostkust en Tasmanië mist de zwarte borstband volledig, is over het hele lichaam fijn zwart gebandeerd in plaats van wit gevlekt, heeft een lichtblauwe in plaats van rode oogring, en draagt bij het mannetje een zwarte buikvlek. De roodoorastrild (Stagonopleura oculata) van Zuidwest-Australië heeft een scharlaken oorvlek, een zwart gezicht en fijn wit gestippelde zwarte onderdelen zonder borstband. Buiten het geslacht lijkt de doornastrild (Neochmia temporalis) in silhouet, maar die heeft een rode wenkbrauwstreep, grijze onderdelen en geen enkele vlekkenrij. Bichenows astrild (Stizoptera bichenovii) is veel kleiner, heeft een wit gezicht met zwarte omlijsting en mist de rode stuit.
Leefgebied
Grazig eucalyptusbos en open bos van het gematigde zuidoosten, met een grasvloer die zaad zet; verder mallee (laag, veelstammig eucalyptusstruweel van droog zuidelijk Australië), casuarina- en callitrisbos, en boerenland met overgebleven bomen, bermstroken en houtwallen. Hij drinkt dagelijks en blijft daarom in de buurt van dammen, kreken en drinkbakken. Het nest is een grote, flesvormige bol van grassprieten, vaak in een dichte struik, mistletoe of zelfs in de onderbouw van een roofvogelnest.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Zuidoostelijk Australië, van de kust van centraal Queensland door het binnenland en de kuststreek van Nieuw-Zuid-Wales en Victoria tot het Mount Lofty-gebergte en het Eyre-schiereiland in Zuid-Australië. Hij ontbreekt in Tasmanië en op de natste kustgebieden; het zwaartepunt ligt op de westelijke hellingen en het binnenland van Nieuw-Zuid-Wales en Victoria.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem niet in dicht bos maar op de overgang van grazig open bos naar open akkerland, vaak langs een wegberm met oude eucalypten. Het lange, klagende geblaat vanaf een dode tak is het beste zoekmiddel; wie het geluid eenmaal kent, hoort de soort eerder dan hij haar ziet. Een groepje dat naar een veedam vliegt, laat onderweg de vuurrode stuit zien.
Staat van instandhouding
De IUCN geeft de soort als kwetsbaar (VU); dat is een recente opwaardering, want lange tijd gold ze als niet bedreigd. Ze is over grote delen van haar areaal sterk achteruitgegaan en staat in Nieuw-Zuid-Wales en Victoria ook onder de regionale wetgeving als bedreigd of kwetsbaar vermeld. De oorzaak is vrijwel geheel het verlies van gematigd grazig eucalyptusbos: dat landschap is het meest ontgonnen vegetatietype van zuidoostelijk Australië, en wat ervan over is, is versnipperd, zwaar begraasd en overwoekerd door uitheemse grassen die minder bruikbaar zaad leveren. Daarbovenop komen predatie van nesten door verwilderde katten en vossen en, historisch, het wegvangen voor de vogelhouderij.
Wetenschappelijke naam
Stagonopleura guttata | (Shaw, 1796)
Shaw beschreef de soort in 1796 als Loxia guttata, naar een exemplaar uit de verzameling van Sir Ashton Lever met Australië — in de praktijk Sydney — als typelocatie; door de geslachtswisseling staan auteur en jaartal tussen haakjes. Reichenbach stelde het geslacht Stagonopleura in 1850 in: Grieks stagon 'druppel' en pleura 'zijde, flank', naar de druppelvormige witte vlekken op de flanken. guttata zegt hetzelfde in het Latijn, van gutta 'druppel'. De Nederlandse naam diamantastrild en de Engelse Diamond Firetail verwijzen beide naar diezelfde vlekken, de Engelse daarnaast naar de vuurrode stuit.



