Alle soorten › Zangvogels › Honingeters › Diadeemhoningeter

Diadeemhoningeter | Melithreptus lunatus

White-naped Honeyeater | Mielero nuquiblanco

De diadeemhoningeter is de klassieke Melithreptus van het zuidoosten van Australië: gitzwarte kop, een scherp afgetekende witte band over de nek als een diadeem, olijfgroene bovendelen en witte onderdelen. Het kenmerk waarop het in het veld aankomt is klein maar onmiskenbaar — een sikkel van kale huid bóven het oog, en bij deze soort is die rood tot oranje, niet blauwwit. Het is een vogel van de hoogste kronen, die in het najaar in grote, luidruchtige troepen door het bos trekt.

Diadeemhoningeter (Melithreptus lunatus)
Foto: JJ Harrison ( https://www.jjharrison.com.au/ ) — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een helder, muzikaal tjerp of tsjop, vaak in korte reeksen herhaald en met een duidelijk fluitende klank, plus een nasaal, wat klagend contactroepje. De zang is een snelle, opgewekte reeks heldere noten met wisselende toonhoogte. Dat laatste scheidt hem van de witkinhoningeter (Melithreptus albogularis), die eenvoudige, hoge fluittonen op steeds dezelfde toonhoogte geeft, en van de bruine diadeemhoningeter (Melithreptus brevirostris), waarvan het geluid droog en krassend is. In gebieden waar de drie samen voorkomen is het geluid het betrouwbaarste kenmerk.

Luister: ZangXC370067

Opname: Greg McLachlan — CC BY-NC-SA 4.0 · Barren Grounds Nature Reserve, New South Wales, Australia · xeno-canto

Herkenning

Een kleine, kortstaartige honingeter van dertien tot vijftien centimeter. Kop, kin en keelzijden zijn zwart, de bovendelen helder olijfgroen, de onderdelen wit met grijsbruin aangelopen flanken. Over de nek loopt een smalle, zuiver witte band die aan beide zijden vóór het oog ophoudt: tussen die band en het oog blijft een zwarte strook staan. De kale huid boven het oog vormt een kleine, scherpe sikkel en is bij volwassen vogels rood tot oranje — in goed licht het snelste kenmerk van allemaal. Snavel en poten zijn donker. Jonge vogels zijn valer, met een bruinige kop, een vage nekband en een geel aandoende snavel.

Verwarrings­soorten

Het grootste probleem is de witkinhoningeter (Melithreptus albogularis), die in Queensland en het noordoosten van Nieuw-Zuid-Wales met deze soort overlapt. Die heeft blauwwitte in plaats van rode kale huid boven het oog, een bredere en langere witte nekband die bijna tot aan het oog doorloopt, een witte in plaats van zwarte kin, en is iets kleiner en bleker. De zwartkinhoningeter (Melithreptus gularis) is merkbaar groter en forser, heeft helderblauwe huid boven het oog, een olijfgele tot goudkleurige rug en een zwarte wig die vanaf de kin over de keel doorloopt. De bruine diadeemhoningeter (Melithreptus brevirostris) heeft geen zwarte maar een bruine kop en een volledige lichte oogring. De swandiadeemhoningeter (Melithreptus chloropsis) is het westelijke tegenbeeld — tot voor kort dezelfde soort — maar heeft groenwitte tot witte huid boven het oog en komt uitsluitend in Zuidwest-Australië voor, waar deze soort ontbreekt. De Tasmaanse honingeter (Melithreptus validirostris) en de zwartkophoningeter (Melithreptus affinis) blijven tot Tasmanië en de Straat Bass-eilanden beperkt.

Leefgebied

Vooral open eucalyptusbos en open bos van de gematigde zone, met een voorkeur voor hoogopgaand en vochtiger bos boven droog open bos — daarin verschilt hij van de witkinhoningeter, die veel ruimer in zijn keuze is. Hij foerageert bijna uitsluitend in de allerhoogste bomen, waar hij nectar, insecten, lerp (suikerhoudend schildje van bladvlooien, voedsel voor honingeters) en honingdauw van bladeren en twijgen haalt. In bloeiende eucalyptus verzamelen zich soms tientallen vogels in één kroon. Het nest is een klein, diep kopje van gras en spinrag, hoog in de kroon opgehangen; er broeden helpers mee en er worden vaak twee broedsels per seizoen grootgebracht. Bezoekt geregeld tuinen en nectardrinkbakken bij bos.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Oostelijk en zuidoostelijk Australië, van het noordoosten van Queensland — waar een geïsoleerde populatie in de Wet Tropics zit — zuidwaarts langs de oostkust en het Groot Australisch Scheidingsgebergte door Nieuw-Zuid-Wales en Victoria tot in oostelijk Zuid-Australië, met inbegrip van de Mount Lofty Ranges en Kangaroo Island. Hij ontbreekt in het droge binnenland, in het Noordelijk Territorium, in West-Australië en op Tasmanië, en komt in Nieuw-Zeeland niet voor. In het zuidoosten is hij deels trekvogel: in maart en april trekken grote troepen noordwaarts langs de bergketen, in augustus en september komen ze terug, en dan kunnen op trekbanen honderden vogels per uur passeren.

  • Jaarrond
  • Winter
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Kijk niet naar de nekband maar naar het oog. Rood of oranje huid boven het oog betekent deze soort; blauwwit betekent de witkinhoningeter of, bij een grotere vogel met gele rug, de zwartkinhoningeter. Omdat de vogel bijna altijd hoog en tegen de lucht zit, is dat kleurdetail nog het best te zien als hij even zijwaarts draait. Lukt dat niet, luister dan: het heldere, gevarieerde fluiten verraadt hem ook zonder zicht. In het zuidoosten loont het om in maart en april op een pas of een bergrug te gaan staan en de trekstroom af te wachten.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC) en in alle staten waar hij voorkomt als veilig aangemerkt; in geschikt bos is hij plaatselijk een van de talrijkste honingeters. Toch staat het leefgebied onder druk: de hogere, vochtiger eucalyptusbossen waar hij het talrijkst is worden gekapt, uitgedund en door brand geraakt, en de grootschalige branden van de laatste decennia in het zuidoosten hebben grote oppervlakten kroondak weggenomen. Omdat de soort sterk op bloei reageert en over grote afstanden trekt, verschuift ze mee met het aanbod; dat maakt lokale aantallen sterk wisselend zonder dat er van een landelijke afname sprake is.

Wetenschappelijke naam

Melithreptus lunatus | (Vieillot, 1802)

Vieillot beschreef de vogel in 1802 als Certhia lunata, dus als een boomkruiper; auteur en jaartal staan daarom tussen haakjes. Het epitheton lunatus is Latijn voor 'maanvormig' en slaat op de witte halvemaan over de nek. De geslachtsnaam Melithreptus komt van het Griekse meli, 'honing', en threptos, 'gevoed'. De Engelse naam White-naped Honeyeater en de Spaanse mielero nuquiblanco benoemen diezelfde witte nek, terwijl de Nederlandse naam diadeemhoningeter de band als een diadeem opvat en meteen de hele groep haar Nederlandse groepsnaam geeft. De westelijke vorm werd lang als ondersoort bij deze soort gerekend en staat nu als swandiadeemhoningeter (Melithreptus chloropsis) apart.