Alle soorten › Hoenderachtigen › Fazantachtigen › Bruine kwartel
Bruine kwartel | Synoicus ypsilophorus
Brown Quail | Codorniz tasmana
De bruine kwartel is de gewoonste kleine hoenderachtige van dicht, ruig gras in het noorden en oosten van Australië, en de enige van de uitgezette Australische kwartels die zich in Nieuw-Zeeland heeft weten te handhaven. Je ziet hem zelden lopen: meestal klapt hij op een paar meter afstand met een snorrend gerucht uit het gras op, laat zich vijftig meter verderop weer vallen en is dan weg. Egaal donkerbruin, kortstaartig, met oranjegele poten.
Geluid
Het bekendste geluid is een dubbele, omhoog glijdende fluittoon: pie-piéér, waarbij de tweede noot langer is en duidelijk stijgt; in Nieuw-Zeeland wordt dezelfde roep weergegeven als ker-wie. Hij roept vooral in het eerste licht en in de late middag, en bij maanlicht ook 's nachts; één roepende vogel zet de buren aan het roepen, zodat het geluid over een hele vallei doorloopt. Een opgejaagd troepje laat tussen het snorren van de vleugels door een scherp, hoog tjip-tjip horen.
Opname: Andrew Galbraith — CC BY-NC-SA 4.0 · Ashgrove, Brisbane City, Queensland, Australia · xeno-canto
Herkenning
Een gedrongen, kortstaartige kwartel van zeventien tot twintig centimeter en ongeveer negentig gram, die op de grond blijft. Het kleed is roodbruin tot grijsbruin, van boven fijn zwart gebandeerd met smalle witte schachtstreepjes, van onderen kastanjebruin met fijne zwarte golfbandjes; op elke afstand oogt de vogel effen en donker, zonder de scherpe lengtestrepen van de andere kwartels. De snavel is zwart, de poten oranjegeel, het oog rood tot geel. Het vrouwtje is groter en zwaarder getekend dan het mannetje. Vogels van Tasmanië, daar swamp quail genoemd, zijn duidelijk groter en donkerder en hebben een bleekgele iris. In de vlucht gaat het om drie dingen: effen bovenzijde, donkere flanken en korte, ronde vleugels.
Verwarringssoorten
De stoppelveldkwartel (Coturnix pectoralis) is de belangrijkste verwarring: bleker en grijzer, met opvallende roomkleurige lengtestrepen over rug en flanken, een lichte wenkbrauwstreep, vleeskleurige poten en bij het mannetje een oranjebruine keel; hij vliegt hoger en verder, op langere en spitsere vleugels. Let op de poten — oranjegeel bij de bruine kwartel, bleekroze bij de stoppelveldkwartel — en op het ontbreken van streping. De Chinese dwergkwartel (Synoicus chinensis) is een derde kleiner; het vrouwtje lijkt op een miniatuurbruine kwartel, maar heeft een witte keel en scherper gebandeerde onderdelen, en het mannetje is met zijn blauwgrijze borst en zwart-witte keeltekening onverwisselbaar. De vechtkwartels (Turnix) missen de achterteen en tonen in de vlucht bleke dekveren tegen donkere handpennen. In Nieuw-Zeeland is de Californische kuifkwartel (Callipepla californica) groter en grijzer en draagt een zwart, naar voren gebogen pluimpje. De gekweekte Japanse kwartel (Coturnix japonica) ontsnapt af en toe uit volières en kan dan verwarren: die is gestreept als een stoppelveldkwartel en nooit zo egaal donker als deze soort.
Leefgebied
Dicht, hoog gras en kruidenruigte op vochtige bodem: de rand van moerassen en kreken, adelaarsvaren, zeggeland, verruigd weiland en de open zoom van eucalyptusbos. Ook suikerriet, bermen en braakliggend land, mits er dekking is om in weg te duiken. Hij heeft vocht in de buurt nodig en mijdt kaalgegraasd land en gesloten bos. In Nieuw-Zeeland zit hij in ruig gras, brem en manuka rond wetlands en op de eilanden in de Hauraki-golf.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
In Australië langs de noord- en oostrand: van de Kimberley in West-Australië door het Top End en Queensland tot Victoria en Tasmanië, met een afzonderlijke populatie in het zuidwesten van West-Australië. In Nieuw-Zeeland is hij tussen 1866 en 1880 losgelaten bij Auckland, Wellington, Otago en Southland; alleen in het noorden hield hij stand, en nu loopt zijn gebied van East Cape tot de Three Kings-eilanden. Sterke populaties zitten op Tiritiri Matangi — naar schatting twee- tot driehonderd vogels —, in Shakespear Regional Park en op Tawharanui.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Loop bij zonsopgang een graspad tussen moeras en weiland af en luister naar de stijgende dubbele fluit; die verraadt de vogel veel eerder dan het oog hem vindt. Zoek op stille zandwegen en brede bermen naar troepjes die aan het begin en het einde van de dag komen scharrelen, want daar staan ze even in het open. Klapt er een vogel op, kijk dan in die halve seconde naar de poten en naar de effen, donkere bovenzijde: die twee kenmerken beslissen het.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), met een ruim areaal en in het grootste deel van Australië een stevige stand; alleen in Zuid-Australië geldt hij als kwetsbaar, waar zijn vochtige graslanden grotendeels zijn ontgonnen. In Nieuw-Zeeland is hij een gevestigde exoot, en juist daar zit een schaduwkant: de uitzettingen van de jaren zestig en zeventig van de negentiende eeuw worden in verband gebracht met het uitsterven van de endemische Nieuw-Zeelandse kwartel (Coturnix novaezelandiae), vermoedelijk door meegebrachte ziekten. In Australië wegen overbegrazing en het afbranden van ruig gras het zwaarst.
Wetenschappelijke naam
Synoicus ypsilophorus | (Bosc, 1792)
Bosc beschreef de soort in 1792, in het geslacht Coturnix; door de latere overgang naar Synoicus staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het epitheton is gevormd uit het Griekse upsilon, de letter Y, en -phoros, 'dragend', en wordt gelezen als een verwijzing naar de Y-vormige lichte tekening die de schachtstrepen op de mantelveren maken. Het geslacht Synoicus werd in 1843 ingevoerd door Gould, naar het Griekse sunoikos, 'samenwonend', naar de gewoonte in troepjes te leven. Bosc gaf geen vindplaats op; Mathews legde de typelocatie later vast op Tasmanië.



