Alle soorten › Steltloperachtigen › Kluten › Bandsteltkluut
Bandsteltkluut | Cladorhynchus leucocephalus
Banded Stilt | Cigüeñuela pechirroja
De bandsteltkluut is een steltloper met een bijzondere levenswijze: een witte vogel met zwarte vleugels en een kastanjebruine band over de borst, die zijn leven aan de kust doorbrengt maar alleen broedt op de zoutmeren van het binnenland, zodra die na regen vollopen. Dat gebeurt in kolonies van tienduizenden, en tussen twee broedgevallen kunnen jaren liggen.
Geluid
Het gewone geluid is een blaffend tsjauk, soms tweelettergrepig als tsjauk-uk, dat vooral klinkt wanneer een groep opvliegt of neerstrijkt. Op de kolonie kwebbelen duizenden vogels zacht en welluidend door elkaar, een geluid dat als een aanhoudend gemurmel over het meer draagt. Een foeragerende groep aan de kust is meestal stil.
Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een steltloper van vijfendertig tot drieënveertig centimeter, wit met zwarte vleugels en een brede, scherp afgetekende kastanjebruine band die als een omgekeerde boog over de borst ligt. De snavel is zwart, twee keer zo lang als de kop en licht opgewipt; de poten zijn roodroze, korter dan die van de andere stelten en met gedeeltelijke zwemvliezen. Buiten de broedtijd vervaagt de borstband tot asbruin of raakt hij met wit gevlekt, en verbleken de poten tot oranjeroze. Jonge vogels missen de band, hebben een grijzig voorhoofd en doffere zwarte vleugels.
Verwarringssoorten
De Australische steltkluut (Himantopus leucocephalus) staat vaak in dezelfde plas: hij is hoger op de poten, heeft lange rode poten die ver achter de staart uitsteken, een zwarte achterhals en nooit een borstband. De Australische kluut (Recurvirostra novaehollandiae) heeft een duidelijk opgewipte snavel en een kastanjebruine kop en hals in plaats van een band over de borst. Op afstand verraadt het gedrag hem: de bandsteltkluut foerageert in een dichte, doorlopend schuivende vlek en zwemt daarbij geregeld, wat de Australische steltkluut niet doet.
Leefgebied
Grote, ondiepe zoute en hyperzoute wateren: efemere zoutmeren en kleipannen in het binnenland, en aan de kust zoutwinningsbekkens, lagunen en estuaria. Hij leeft vooral van pekelkreeftjes en waterslakjes, die na het vollopen van een zoutmeer in korte tijd uit droog zaad tot ontwikkeling komen. Zoet water en begroeide oevers gebruikt hij zelden; hij is aan zout gebonden en volgt het zout door het hele continent.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Zuidelijk Australië, van zuidwestelijk West-Australië tot Queensland en Tasmanië, met de meeste vogels het hele jaar aan de zuidkust. Broeden doet hij uitsluitend in het binnenland en alleen wanneer een zoutmeer als Lake Eyre, Lake Torrens of Lake Barlee volloopt: binnen dagen verschijnen dan tienduizenden vogels op de eilandjes — in juli 2010 ongeveer honderdvijftigduizend op Lake Torrens — en droogt het meer te snel weer op, dan komt van het broedgeval niets terecht. Zenderonderzoek liet zien waar ze vandaan komen: twee vogels vlogen van een opdrogend Lake Eyre ruim vijftienhonderd kilometer naar een pas volgelopen merensysteem in West-Australië.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem aan de kust in de zoutwinning of een kustlagune: Dry Creek en de bekkens bij Price in Zuid-Australië, of de lagune van Lake MacLeod in West-Australië. Kijk bij een dichte groep witte stelten de borsten na — de band ontbreekt bij jonge vogels en is buiten de broedtijd vaag — en let op de vogels die zwemmen in plaats van waden.
Staat van instandhouding
Op wereldschaal niet bedreigd (LC), maar in Zuid-Australië als kwetsbaar aangemerkt. De aantallen schommelen sterk, want alles hangt aan enkele broedgevallen die tientallen jaren uit elkaar kunnen liggen. Witkopmeeuwen, die de kolonies op de eilandjes plunderen, gelden als de zwaarste bedreiging, en op enkele meren wordt daarom ingegrepen; daarnaast bepalen wateronttrekking en de regen zelf of een broedgeval slaagt.
Wetenschappelijke naam
Cladorhynchus leucocephalus | (Vieillot, 1816)
Vieillot beschreef de soort in 1816 als Recurvirostra leucocephala, bij de kluten; ze staat sindsdien in een eigen geslacht, zodat auteur en jaartal tussen haakjes staan. Het geslacht Cladorhynchus werd in 1840 ingevoerd door Gray, naar het Griekse klados, 'twijg', en rhynchos, 'snavel', naar de dunne en licht gebogen snavel. leucocephalus betekent 'witkoppig'. De beschrijving noemt als herkomst alleen de 'Terres Australes'; Mathews legde de typelocatie vast op Victoria.



