Alle soorten › Zangvogels › Monarchen › Australische slijkekster

Australische slijkekster | Grallina cyanoleuca

Magpie-Lark | Grallina australiana

De Australische slijkekster loopt op elk gazon, elk sportveld en elke parkeerplaats van het vasteland: een zwart-witte vogel met een bleek oog die met korte pasjes over de grond scharrelt. Zijn nest is een ronde kom van modder op een kale tak, en een paar zingt in duet, waarbij man en vrouw elk om beurten één noot leveren.

Australische slijkekster (Grallina cyanoleuca)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het bekende pie-wie waaraan de vogel in Australië zijn bijnaam dankt, maar in werkelijkheid is het een duet: het mannetje roept tie-wie, het vrouwtje antwoordt binnen een tiende seconde met pie-oe-wit, en samen klinkt het als één vogel. Paren zingen zo hun territorium af, vaak zij aan zij op een draad met de vleugels half open. Bij gevaar klinkt een hard, kwaad tsjak.

Luister: ZangXC947051

Opname: Mike FitzGerald — CC BY-NC-SA 4.0 · Bowra Station, near Cunnamulla, Queensland, Australia · xeno-canto

Herkenning

Een slanke zwart-witte vogel van 26 tot 30 centimeter met lange poten, een bleke, ivoorkleurige snavel en een wit oog. Rug, kruin, borstband en staartpunt zijn zwart, buik, stuit, schouder en vleugelstreep wit. Het mannetje heeft een zwarte keel en een witte wenkbrauwstreep; het vrouwtje heeft een witte keel en geen wenkbrauw. Jonge vogels hebben een witte keel én een zwarte oogstreep en missen het bleke oog. In de vlucht valt het brede witte vleugelvlak op.

Verwarrings­soorten

De zwartrugfluitvogel (Gymnorhina tibicen) is een derde groter, heeft een blauwgrijze snavel met zwarte punt, een rood oog en een witte nek in plaats van een witte wenkbrauw, en zingt vol en orgelend. De zwartkeelorgelvogel (Cracticus nigrogularis) heeft een zware haaksnavel en een geheel zwarte kap. De enige soortgenoot, Grallina bruijnii, leeft in de bergbeken van Nieuw-Guinea en komt in Australië niet voor.

Leefgebied

Vrijwel elk open terrein met kale grond, modder en een boom: weiland en veeteeltgebied, savanne met eucalyptus, oevers van meren, dammen en kreken, en verder tuinen, parken, sportvelden, schoolpleinen en straten. Hij heeft drie dingen nodig — zachte kale grond om op te foerageren, modder voor het nest en een tak om dat op te bouwen — en die combinatie vindt hij in de stad even goed als in het extensief weidegebied. Regenwoud en de droogste woestijn blijven leeg.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Het hele Australische vasteland op het droge noordwestelijke binnenland na, met daarnaast zuidelijk Nieuw-Guinea en Timor; op Lord Howe is hij in 1924 uitgezet en op Tasmanië is hij een zeldzame dwaalgast. Twee ondersoorten delen het gebied, een noordelijke en een over de rest van het continent. Paren zijn standvogel en houden hun territorium jaar in jaar uit; buiten de broedtijd vormen niet-broedende vogels troepen die door het land zwerven.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Kijk op elk gazon en elk sportveld: hij is er bijna altijd, en de korte pasjes met de knikkende kop verraden hem van veraf. Voor het duet moet je in het voorjaar, van augustus tot december, bij een paar in de buurt komen; sta stil en luister of je twee stemmen kunt scheiden. Zoek in dezelfde periode op kale horizontale takken naar de modderkom, vaak boven water en soms twintig meter hoog.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC) en een van de talrijkste en meest zichtbare vogels van Australië. De aanleg van weiland, gazons, dammen en sportvelden heeft hem sterk geholpen; hij broedt tot in het centrum van grote steden en gebruikt telefoonpalen en lichtmasten als nestplaats. Droogte drukt het broedsucces omdat er dan geen modder is. Verwilderde katten en aanrijdingen kosten vogels, zonder merkbaar effect op de aantallen.

Wetenschappelijke naam

Grallina cyanoleuca | (Latham, 1801)

Latham beschreef de vogel in 1801 als Corvus cyanoleucus, bij de kraaien; omdat hij later naar een ander geslacht ging staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Grallina werd in 1816 ingevoerd door Vieillot, als verkleinvorm van het Latijnse grallae, stelten, naar de lange poten. cyanoleuca betekent donkerblauw en wit, uit het Griekse kuanos en leukos. De soort staat tegenwoordig bij de monarchen (Monarchidae), niet bij de kraaien of de modderbouwers.