Alle soorten › Zangvogels › Rupsvogels › Australische rupsvogel

Australische rupsvogel | Coracina novaehollandiae

Black-faced Cuckooshrike | Oruguero carinegro

De Australische rupsvogel is de slanke blauwgrijze vogel met het zwarte gezichtsmasker die overal in Australië op telefoondraden en televisieantennes zit. Bij de landing schuift hij zijn vleugels een paar keer nadrukkelijk over elkaar en vouwt ze dan pas op — een gebaar dat hem in Australië de bijnaam shufflewing heeft opgeleverd en dat hem op elke afstand verraadt.

Australische rupsvogel (Coracina novaehollandiae)
Foto: Andrew Mercer — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het gewone geluid is een rollend, krassend krie-aark, half snorrend en half schurend, dat vaak in de vlucht wordt gegeven en over een heel erf draagt. Daarnaast klinkt een zachter, aanhoudend gepruttel tussen partners en een scherpe roep bij de wisseling op het nest. Rondtrekkende troepjes roepen elkaar in de vlucht voortdurend toe.

Luister: ZangXC1173921

Opname: Romuald Mikusek — CC BY-NC-SA 4.0 · Devils River, Murrindindi Shire, Victoria, Australia · xeno-canto

Herkenning

Een slanke vogel van 32 tot 34 centimeter, blauwgrijs op rug, vleugels en staart, wit op buik en onderstaart, met een zwart masker dat gezicht én keel bedekt. De vleugels zijn lang en spits, de staart lang en wit gepunt; de vlucht is golvend, met korte glijstukken. Man en vrouw zijn gelijk. Jonge vogels missen het volle masker en hebben alleen een zwarte oogstreep.

Verwarrings­soorten

De papoearupsvogel (Coracina papuensis) is kleiner, 26 tot 28 centimeter, en het zwart blijft beperkt tot het gezicht: de keel is wit. De monniksrupsvogel (Edolisoma tenuirostre) is kleiner en effen blauwgrijs zonder scherp masker, met een insectachtige roep. De geeloogrupsvogel (C. lineata) heeft een geel oog en een gebandeerde onderzijde. De grondrupsvogel (Coracina maxima) loopt op de grond en heeft een bleke kop.

Leefgebied

Vrijwel elk begroeid landschap behalve gesloten regenwoud: droog eucalyptusbos, savanne met eucalyptus, rivierbos van rode gomboom langs kreken, mallee (laag, veelstammig eucalyptusstruweel van droog zuidelijk Australië), boerenland met verspreide bomen, en tuinen, parken en dorpsstraten. Hij foerageert in de kroon, in de lucht en op de grond, en zit graag op een draad of een dode tak met vrij uitzicht.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Heel Australië, inclusief Tasmanië, en daarnaast zuidelijk Nieuw-Guinea; drie ondersoorten. Deze gids houdt de Australische vogel aan als Coracina novaehollandiae — de Aziatische verwanten zijn afzonderlijke soorten. Een deel van de zuidelijke broedvogels trekt in de herfst noordwaarts en keert in augustus en september terug; buiten de broedtijd vormen zich zwervende troepen tot honderd vogels.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Let bij elke landing op het vleugelschuiven: geen andere vogel van dit formaat doet dat, en het maakt de soort ook in tegenlicht zeker. Rijd in maart en april een landweg af en kijk naar losse groepjes die in golvende vlucht noordwaarts schuiven. Het nest is opvallend klein — een ondiep schoteltje van takjes en bast, met spinrag vastgezet op een horizontale tak.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). De soort is verbreid en talrijk, en doordat ze open boerenland met verspreide bomen en beplante voorsteden gewoon meeneemt, heeft de ontginning haar weinig gedaan. Ze eet grote aantallen rupsen, ook harige, die andere vogels laten liggen. Plaatselijk kosten het verdwijnen van oude erfbomen en het gebruik van insecticiden broedparen.

Wetenschappelijke naam

Coracina novaehollandiae | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Turdus novaehollandiae, bij de lijsters, naar Lathams 'Nieuw-Holland thrush' van 1783; door de verhuizing staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Coracina werd in 1816 ingevoerd door Vieillot, uit het Griekse korakinos, 'raafachtig', van korax, 'raaf'. novaehollandiae betekent 'van Nieuw-Holland', de oude naam van Australië.