Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Australische havik
Australische havik | Tachyspiza fasciata
Brown Goshawk | Azor australiano
De Australische havik is de grootste en zwaarst gebouwde van de drie Australische sperwerhaviken: een bosvogel met korte ronde vleugels, een lange afgeronde staart en een roodbruine kraag in de nek, die vanaf een verborgen tak met een korte spurt op zijn prooi valt. De zware wenkbrauwboog boven het gele oog geeft hem een permanent fronsende blik.
Geluid
Een luid, stijgend en vrij traag kiek-kiek-kiek, afgevuurd in reeksen van tien of meer, en daarnaast een langzaam gerekt ie-joe-wik, ie-joe-wik dat vooral bij het nest klinkt. Het vrouwtje roept merkbaar dieper en trager dan het mannetje. In het voorjaar draagt de roep ver door gesloten bos.
Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Zevenendertig tot vijfenvijftig centimeter, met een vrouwtje dat de helft langer en veel zwaarder is dan het mannetje. De bovenzijde is leigrijs tot bruin, met een roodbruine kraag over de bovennek; de onderdelen zijn fijn roodbruin op wit gebandeerd. Beslissend zijn drie dingen: het staarteind is afgerond, de achterrand van de vleugel is bij een zeilende vogel recht, en de poten zijn stevig en dik, met een middelste teen die niet voorbij de nagels van de andere tenen reikt. Het oog is fel geel en ligt diep onder een zware brauw. Jonge vogels zijn bruin met druppelvormige vlekken op de borst en dwarsbanden op de buik.
Verwarringssoorten
De grijskopsperwer (Tachyspiza cirrocephala) is de klassieke valstrik. Die is slanker, heeft een vierkant afgesneden staarteind met scherpe hoeken dat bij gesloten staart zelfs licht ingesneden lijkt, een gebogen achterrand aan de vleugel, opvallend dunne spichtige poten met een lange middelste teen die duidelijk voorbij de andere klauwen steekt, en een open, starende blik zonder zware brauw; zijn roep is hoger en haastiger. Op grootte alleen kom je er niet: een vrouwtje grijskopsperwer van vijfendertig tot achtendertig centimeter meet precies zoveel als een mannetje Australische havik. De grijze havik (Tachyspiza novaehollandiae) is effen grijs of geheel wit, heeft een donkerrode iris en mist de roodbruine kraag en de fijne bandering.
Leefgebied
Vrijwel elk terrein met bomen: droog en nat eucalyptusbos, rivierbos langs kreken, mallee (laag, veelstammig eucalyptusstruweel van droog zuidelijk Australië), casuarinabos, dennenplantages en de dichtbegroeide tuinen en parken van de stadsranden. Hij heeft dekking nodig om vanuit te verrassen, dus een dichte struiklaag of een rij hoge bomen telt zwaarder dan de bosgrootte.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Over het hele Australische vasteland en op Tasmanië, van de tropische noordkust tot in het zuidwesten, en verspreid tot ver in het droge binnenland waar rivierbos staat. In Nieuw-Zeeland komt hij niet voor. Buiten het kaartvenster leeft hij op Nieuw-Guinea, de Kleine Soenda-eilanden, Nieuw-Caledonië en Vanuatu. Een deel van de zuidelijke vogels trekt in de winter noordwaarts.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Laat de zangvogels het werk doen: een plotselinge stilte of een alarmerende zwerm honingeters bij een boomgroep verraadt bijna altijd een havik of sperwer. Zit de vogel dan, kijk eerst naar het staarteind — afgerond wijst hier naartoe — en vervolgens naar de poten, die bij deze soort dik en kort van teen zijn. Bij een zeilende vogel is de rechte achterrand van de vleugel het snelste kenmerk.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC) en over het hele continent algemeen, met een soort die in dichte plantages en begroeide buitenwijken plaatselijk zelfs vooruitgaat. De verliezen komen vooral van botsingen met ruiten tijdens een achtervolging, aanrijdingen langs bosranden, doorvergiftiging met rattengif via prooi, en illegaal afschot bij duivenhokken en pluimveerennen.
Wetenschappelijke naam
Tachyspiza fasciata | (Vigors & Horsfield, 1827)
Vigors en Horsfield beschreven de soort in 1827 als Astur fasciatus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tachyspiza werd in 1844 ingevoerd door Kaup en in 2024 opnieuw in gebruik genomen, toen moleculair onderzoek liet zien dat Accipiter in de oude omvang geen natuurlijke groep was; de naam komt van het Griekse takhus, 'snel', en spizias, 'havik'. fasciata is Latijn voor 'gebandeerd' en slaat op de dwarsbanden van de onderzijde. De typelocatie is Nieuw-Zuid-Wales.





