Alle soorten › Stormvogelachtigen › Albatrossen › Antipodenalbatros

Antipodenalbatros | Diomedea antipodensis

Antipodean Albatross | Albatros de las Antípodas

De antipodenalbatros is een van de twee reuzenalbatrossen die in Nieuw-Zeelandse wateren thuishoren: een vogel met een spanwijdte van bijna drie meter, een zware roze snavel en een kleed dat van chocoladebruin tot vrijwel wit kan lopen, afhankelijk van leeftijd, geslacht en eiland van herkomst. Hij broedt nergens anders dan op de subantarctische eilanden van Nieuw-Zeeland, en zijn aantallen lopen sneller terug dan die van welke andere albatros in deze gids ook.

Antipodenalbatros (Diomedea antipodensis)
Foto: JJ Harrison ( https://www.jjharrison.com.au/ ) — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee zwijgt hij vrijwel altijd; alleen bij ruzie om een brok aas achter een schip klinkt een rauwe, keelachtige grom. Het eigenlijke geluid hoort bij de kolonie: baltsende vogels gillen en brullen, klapperen daarbij hard met de snavel en houden de vleugels wijd open. Jongen bedelen met een piepende, hoge roep en gillen wanneer ze op het nest hun vleugels beginnen te oefenen.

Luister: RoepXC466566

Opname: Dan Lane — CC BY-NC-SA 4.0 · Kaikoura, Kaikoura District, Canterbury, New Zealand · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 110 cm lang, met een spanwijdte rond de drie meter en een gewicht van 4,5 tot 8,5 kg. De snavel is zwaar en roze, zonder zwarte snijrand. Het kleed is tegelijk het probleem en het verhaal: jonge vogels zijn chocoladebruin met een wit gezicht en een witte ondervleugel, en mannetjes worden met de jaren steeds witter — eerst fijn gebandeerd op rug en borst, later wit met zwart op de buitenste twee derde van de bovenvleugel. Vrouwtjes blijven hun leven lang overwegend bruin, met alleen dat witte gezichtsmasker. Vogels van de Aucklandeilanden (ondersoort gibsoni) zijn in elk stadium lichter dan die van Antipodeneiland. De ondervleugel is altijd wit, met een smalle donkere achterrand en een donkere punt.

Verwarrings­soorten

De grote albatros (Diomedea exulans) is het lastigste geval, en hier past eerlijkheid: een flink deel van de vogels op zee is niet met zekerheid op naam te brengen. Exulans is gemiddeld groter (rond 120 cm), heeft een zwaardere snavel en wordt véél witter — oude mannetjes zijn vrijwel geheel wit, ook over een groot deel van de bovenvleugel, en dragen vaak een perzikkleurige veeg achter het oor. Een antipodenalbatros haalt dat stadium nooit. Let ook op wat hetzelfde kleed betekent: een bruine vogel met wit gezicht is hier een volwassen vrouwtje, terwijl datzelfde kleed bij exulans een jonge vogel is. Verspreiding helpt mee: in de Tasmanzee en voor de oostkust van Australië is de antipodenalbatros veruit de talrijkste van de twee. De zuidelijke koningsalbatros (Diomedea epomophora) is even groot maar heeft nooit een bruin lichaam en draagt een zwarte snijrand langs de bovensnavel. Alle mollymawks (albatrossen van het geslacht Thalassarche) — de witkapalbatros (Thalassarche cauta), de wenkbrauwalbatros (Thalassarche melanophris), de Buller-albatros (Thalassarche bulleri) en hun verwanten — zijn ruim dertig centimeter korter, hebben een altijd donkere bovenvleugel en een donkere snavel met gele strepen.

Leefgebied

Open oceaan: subtropische en subantarctische zee, de rand van het continentaal plat en de fronten waar het water van temperatuur omslaat en voedsel zich opeenhoopt. Hij leeft vooral van inktvis, veel daarvan 's nachts aan de oppervlakte gegrepen, aangevuld met vis en aas. Om te broeden komt hij aan land op tussockhellingen (grasland van losse, hoge polvormende grassen, vooral in Nieuw-Zeeland) en kruidenvelden van de subantarctische eilanden, waar het nest een lage kegel van aarde en plantenresten is, open in de wind.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Broedt uitsluitend op de Nieuw-Zeelandse subantarctische eilanden: de nominaatvorm op Antipodeneiland, ondersoort gibsoni op de Aucklandeilanden, waar ongeveer 95 procent van de paren op Adams Island zit. Een handvol paren broedt op Campbell, Pitt en de Chathams. Op zee vult hij vrijwel het hele kaartvenster: de Tasmanzee, de wateren rond Nieuw-Zeeland en de plat- en hellingzee voor Nieuw-Zuid-Wales, Victoria en Tasmanië, waar hij vooral in de winterhelft van het jaar op pelagische tochten wordt gezien.

  • Jaarrond
  • Winter
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Boek een pelagische tocht uit Wollongong of Sydney, uit Eaglehawk Neck op Tasmanië of uit Port Fairy in Victoria, bij voorkeur tussen mei en september; bij Kaikoura op het Zuidereiland is hij het hele jaar door van de boot te zien. Kijk eerst naar de snavel: roze en zwaar betekent Diomedea, en daarmee zijn de twee grote albatrossen in één blik van alle mollymawks (albatrossen van het geslacht Thalassarche) gescheiden. Fotografeer daarna zowel de boven- als de ondervleugel — zonder beide is het kleedstadium achteraf niet meer vast te stellen, en juist dat stadium bepaalt of een determinatie houdbaar is.

Staat van instandhouding

Bedreigd (EN). De stand daalt sinds 2004 hard: het broedsucces ligt rond een kwart, en de jaarlijkse overleving van volwassen vogels is gezakt tot ongeveer 80 procent bij vrouwtjes en 88 procent bij mannetjes. Omdat vrouwtjes verder naar het noorden foerageren, in het gebied waar met drijvende beugels op zwaardvis wordt gevist, sneuvelen er meer vrouwtjes dan mannetjes en is de geslachtsverhouding scheefgegroeid: op de kolonie staan mannetjes zonder partner. Daarbij komen een opwarmende Tasmanzee met minder voedsel, en op Aucklandeiland verwilderde varkens en katten die eieren en jongen kosten.

Wetenschappelijke naam

Diomedea antipodensis | Robertson & Warham, 1992

Robertson en Warham voerden de vorm in 1992 in als ondersoort Diomedea exulans antipodensis; in 1998 werd zij als aparte soort erkend. Omdat het geslacht daarbij niet veranderde, blijven auteurs en jaartal zonder haakjes. antipodensis betekent 'van de Antipoden' en verwijst naar Antipodeneiland, de typelocatie. Het geslacht Diomedea werd in 1758 door Linnaeus ingevoerd en is genoemd naar Diomedes, de Griekse held wiens metgezellen volgens de overlevering in zeevogels werden veranderd.