Alle soorten › Zangvogels › Lierstaarten › Alberts liervogel
Alberts liervogel | Menura alberti
Albert's Lyrebird | Ave-lira de Alberto
Een grote, roodbruine bosvogel die op de grond leeft en van de twee liervogels de kleinste is en veruit het kleinste areaal heeft: alleen de grensbergen van Zuidoost-Queensland en Noordoost-Nieuw-Zuid-Wales. Het meest kenmerkend is zijn stem: hij bouwt zijn zang bijna geheel op uit nabootsingen van andere bosvogels, zo overtuigend dat een waarnemer zich er makkelijk door laat misleiden.
Geluid
Het territoriumlied is een lange, luide reeks die vrijwel geheel bestaat uit nagebootste stemmen van andere bosvogels, aaneengeregen tot één aanhoudende voordracht en over honderden meters hoorbaar. Vaste onderdelen zijn de stemmen van de satijnblauwe prieelvogel, de Australische koningsparkiet en de zwartkopzwiepfluiter. Daartussen klinkt een eigen, krakend gronk en een ritmisch mechanisch geratel. De zang piekt in de zuidelijke winter, van juni tot augustus, in het eerste uur na zonsopgang.
Opname: Mike FitzGerald — CC BY-NC-SA 4.0 · Upper Horseshoe Creek, Kyogle Council, New South Wales, Australia · xeno-canto
Herkenning
Een grote, bijna kippenachtige bosvogel met krachtige poten en zware voeten, warm roodbruin op rug en vleugels en grijsbruin op kop en onderdelen, met een roestkleurige keel. Het mannetje heeft een lange staart, maar die mist de twee brede, gebogen lierveren van de liervogel (Menura novaehollandiae): de buitenste staartpennen zijn hier smal en donker met roestbruine vanen, en de rest van de staart bestaat uit fijne, haarachtige filamenten. Bij de vertoning wordt de staart over de rug en kop geslagen en vormt dan een trillend, doorschijnend gordijn in plaats van een lier. Het vrouwtje is kleiner, met een kortere en eenvoudiger staart. De vertoningsplek is een platform van neergetrapte lianen en takken in het onderhout, niet de geschraapte aardhoop die de andere liervogel gebruikt; het mannetje laat het platform met zijn poten meetrillen tijdens de zang.
Verwarringssoorten
Alleen te verwarren met de andere liervogel, de liervogel (Menura novaehollandiae), die groter en grijsbruiner is, bij het mannetje de twee brede lierveren draagt en zijn vertoning op een geschraapte aardhoop houdt in plaats van op een platform van lianen. De arealen sluiten vrijwel op elkaar aan zonder te overlappen: Alberts liervogel houdt de grensbergen, de andere soort het gebied ten zuiden daarvan. Op geluid ligt de valkuil elders: doordat de zang uit nabootsingen bestaat, worden aan de hand ervan geregeld soorten genoteerd die er niet zijn.
Leefgebied
Subtropisch regenwoud en het bos van de Antarctische beuk op de hoogste ruggen, met een dichte, vochtige strooisellaag waarin de vogel de bodem omwoelt, en daarnaast aangrenzend nat eucalyptusbos met een regenwoudachtige onderlaag. Meestal tussen ongeveer driehonderd en elfhonderd meter. De vogel is voor zijn voedsel volledig afhankelijk van die diepe, vochtige strooisellaag met bodemleven eronder.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Het kleinste areaal van alle liervogels: de bergketens van het grensgebied tussen Zuidoost-Queensland en Noordoost-Nieuw-Zuid-Wales, ruwweg van de Main Range en het Lamington-plateau zuidwaarts tot de Nightcap- en Richmond-ketens. Het totale areaal bedraagt slechts enkele duizenden vierkante kilometers, verdeeld over een handvol bergblokken. Standvogel die het hele jaar binnen hetzelfde bos blijft, met hooguit hoogteverplaatsingen bij strenge kou.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in de zuidelijke winter, van juni tot augustus, voor zonsopgang het bergregenwoud in en blijf staan luisteren: de lange nabootsingsreeks draagt ver en wijst de richting aan. Loop daarna heel langzaam en let op het geluid van omgewoelde bladeren, want de vogel verraadt zich vaker door het harken dan door zicht. De platforms van neergetrapte lianen zijn herkenbaar en blijven jaren in gebruik, zodat een gevonden plek de volgende ochtend opnieuw loont.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC) op de wereldwijde Rode Lijst; in Queensland staat de soort onder de eigen deelstaatwetgeving als gevoelig (NT). Het areaal is uitzonderlijk klein en versnipperd, en de historische kap van het bergregenwoud heeft het verder ingeperkt. De huidige bedreigingen zijn verwilderde katten, vossen en honden, die een grondbroedende vogel met een enkel ei zwaar treffen, en toenemende bosbranden die tot in het regenwoud doordringen — een bostype dat normaal niet brandt. Het grootste deel van het areaal ligt binnen beschermde regenwoudreservaten van het werelderfgoed.
Wetenschappelijke naam
Menura alberti | Bonaparte, 1850
Bonaparte beschreef de soort in 1850 en noemde haar naar prins Albert, de echtgenoot van koningin Victoria; de Nederlandse en Engelse naam volgen die eer. Het geslacht Menura werd in 1801 door Latham ingevoerd, uit Grieks mene (maan) en oura (staart), naar de maanvormige lichte vlekken op de staartpennen van de liervogel. Het geslacht telt slechts twee soorten, die samen de familie Menuridae vormen; de andere, de liervogel (Menura novaehollandiae), staat elders in deze gids beschreven.


