Alle soorten › Heideachtigen › Trompetbekerplantfamilie › Sarracenia jonesii

Sarracenia jonesii | Jones' trompetbekerplant

Het geslacht Sarracenia hoort bij de kustvlakte, maar deze soort niet: Sarracenia jonesii staat in de bergen, in een handvol veentjes en sijpelende rotswanden op de steilrand van de Blue Ridge, op de grens van North en South Carolina. Het is een van de zeldzaamste vleesetende planten van Noord-Amerika. Bij de laatste telling waren er vijftien populaties over van de eenendertig die ooit bekend waren, en het totale aantal planten wordt geschat op zevenhonderd tot twaalfhonderd.

Sarracenia jonesii (Jones' trompetbekerplant)
Foto: Mason Brock ( Masebrock ) — Public domain · Wikimedia Commons
Sarracenia jonesii — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: U.S. Fish and Wildlife Service Southeast Region — Public domain · Wikimedia Commons
Sarracenia jonesii — de bloem
De bloem · Foto: Peeples Gary, U.S. Fish and Wildlife Service — Public domain · Wikimedia Commons
Sarracenia jonesii — de standplaats
De standplaats · Foto: Department of the Interior. U.S. Fish and Wildlife Service. National Conservation Training Center. 10/1997-8888 — Public domain · Wikimedia Commons

Herkenning

Een rozet van rechtopstaande, slanke trechtervormige bekers van gewoonlijk 40 tot 50 cm lang; de plant als geheel meet 21 tot 73 cm. De bekers zijn opvallend smal — ruwweg twintigmaal zo lang als de mond breed is — en dof groen met een netwerk van elkaar kruisende karmijnrode tot purperen nerven, dat naar de mond toe dichter wordt. De kap staat schuin omhoog en laat de mond dus open; hij is zelden meer dan 4 cm breed en mist de witte of doorschijnende vensters die je bij sommige andere soorten in de kap ziet. In april tot juni verschijnt boven de rozet een enkele knikkende bloem op een steel die ongeveer even hoog komt als de bekers: vijf blijvende kelkbladen, vijf donker roodbruine kroonbladen van ongeveer 2,5 cm die naar binnen buigen en na de bloei afvallen, en daaronder de paraplu-vormige stijl die voor het geslacht kenmerkend is.

Gelijkende soorten

De naaste verwant is Sarracenia rubra, waarvan deze plant door een deel van de auteurs als ondersoort wordt behandeld; die soort is kleiner, met bekers die zelden boven de 35 cm komen, en staat in de kustvlakte, niet in de bergen. In hetzelfde bergland komt Sarracenia purpurea voor, maar die is meteen te onderscheiden: liggende, bolle, waterhoudende bekers met een rechtopstaande kap die de mond niet afdekt. Sarracenia oreophila, de andere bergsoort van het geslacht, heeft gele bloemen en veel bredere, minder slanke bekers en groeit verder naar het westen.

De val en hoe hij werkt

Een klassieke bekerval, waarbij het hele blad tot buis is gerold en de naad aan de voorkant als een smalle vleugel blijft staan. De rand van de mond scheidt nectar af; daar lopen insecten op af, en juist daar is het oppervlak glad en naar binnen gebogen. Meteen onder de rand zit een zone met een waslaag die in schilfertjes loslaat onder insectenpoten, en daaronder een zone met naar beneden gerichte haren die iedere stap terug omhoog tegenwerkt. Onderin staat een laagje vloeistof met verteringsenzymen. Doordat de kap schuin omhoog staat en de buis zo smal is, komt er weinig regenwater in en blijft dat vocht geconcentreerd. De vangst bestaat vooral uit vliegen, mieren en wespen.

Standplaats en ecologie

Twee heel verschillende standplaatsen, beide zeldzaam. De eerste is het bergveentje: een vlakke, slecht doorlaatbare laagte in een beekdal, met een diepe, zure en zeer organische bodem die door kwelwater doorstroomd wordt en periodiek onder water staat (W3, met de veenopbouw van W1). De tweede is de zogenoemde cataract bog: een schuine granietrots waar een dun laagje veen en mos op ligt en waar permanent water overheen glijdt (D4). Op beide plekken is de plant volledig afhankelijk van volle zon; zodra elzen, wilgen of struikgewas dichtgroeien, verdwijnt hij. Van nature hielden bever, vuur en de beek zelf die open plekken open, en precies die drie processen zijn in dit landschap grotendeels weggevallen.

Verspreiding en hoogte

Endemisch in een klein gebied op de steilrand van de Blue Ridge, in het zuidwesten van North Carolina en het noordwesten van South Carolina; daarbuiten komt hij nergens voor. Alle bekende groeiplaatsen liggen in het stroomgebied van een paar aangrenzende rivieren en zijn samen goed voor een oppervlak dat je in een dag doorkruist. Er zijn geen betrouwbaar gepubliceerde hoogtecijfers voor de soort als geheel, zodat het hoogteveld hier leeg blijft; het gaat in alle gevallen om middelgebergte, niet om de hoge toppen. Vanwege de stroperij worden in deze gids geen fijnere plaatsaanduidingen gegeven dan de twee staten.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 4 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen in het wild erkende variëteiten of kleurvormen. De variatie die je ziet, is vooral standplaatsvariatie: planten op een zonnige rotshelling zijn korter en roder aangelopen dan planten in een beschut veentje, waar de bekers langer en groener blijven. Het nerfpatroon verschilt van plant tot plant, maar niemand heeft daar een naam aan gehangen die in het veld houdbaar is. Wel bestaan er natuurlijke hybriden met Sarracenia purpurea waar de twee samen staan; die zijn kenbaar aan de kortere, bredere beker en de bredere kap, en ze horen in deze gids bij de ouders thuis, niet als eigen soort.

Waar en wanneer te zien

Mei is het moment: de bloemen staan dan open en de nieuwe bekers zijn al uitgegroeid maar nog gaaf. Praktisch gezien is het bezoek aan deze soort iets anders dan bij de meeste planten in deze gids — bijna alle populaties staan op terrein met beheerde toegang of op particuliere grond, en het zoeken op eigen houtje levert weinig op. De begaanbare manier is een geleide excursie van een botanische tuin, een natuurbeheerder of een plantenvereniging in de regio, die in het bloeiseizoen vaak wordt aangeboden. Blijf op de aangegeven route: het veen is zacht, de rozetten staan er los in, en een voetstap kost een plant die er tientallen jaren over deed om zo groot te worden.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de IUCN-Rode Lijst; er is dus geen internationale categorie. Wat wél bekend is, laat aan duidelijkheid weinig te wensen over. In de Verenigde Staten staat de plant sinds 1988 als endangered onder de Endangered Species Act, en hij is opgenomen in CITES bijlage I, de strengste — alle internationale handel in wilde planten is daarmee verboden. Zestien van de eenendertig bekende populaties zijn verdwenen; van de vijftien die over zijn, wordt er maar een handvol als stabiel beschouwd, en het totaal wordt geschat op zevenhonderd tot twaalfhonderd planten. De oorzaken zijn ontwatering en omzetting van bergveentjes, het dichtgroeien van de open plekken nu vuur en bever weg zijn, en stroperij voor de plantenhandel.

Wetenschappelijke naam

Sarracenia jonesii | Wherry, 1929

Edgar T. Wherry beschreef de soort in 1929 in het tijdschrift Bartonia. De typelocatie ligt in de bergen van het zuidwesten van North Carolina en het noordwesten van South Carolina. De soortnaam jonesii eert vermoedelijk de Amerikaanse entomoloog en Sarracenia-onderzoeker Frank Morton Jones (1869-1962), al is dat niet met volledige zekerheid gedocumenteerd.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.