Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula sharpii

Pinguicula sharpii

De kleinstbloemige vleesetende plant van Mexico, en een van de minst opvallende in deze hele gids: de bloem van Pinguicula sharpii meet nog geen centimeter en de spoor is soms nauwelijks een halve millimeter lang. De soort werd in 1977 beschreven naar planten van een vochtige wegberm in Chiapas en is sindsdien van vrijwel geen andere plek gemeld.

Pinguicula sharpii
Foto: bioeve — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Herkenning

Een kleine, vlakke rozet van vrij brede bladeren, 14 tot 18,5 mm lang en 11 tot 17 mm breed, dus bijna even breed als lang — voor het geslacht een wat gedrongen vorm. Per plant komen één tot vijf zeer korte bloemsteeltjes van 13,4 tot 39,5 mm. De bloem is uiterst klein, 3 tot 9 mm in totaal, met witte slippen en een geelbruine keel; de spoor is cilindrisch en slechts 0,5 tot 2,6 mm lang, zodat hij bij oppervlakkige waarneming lijkt te ontbreken. De plant is eenjarig: zij bloeit aan het einde van haar groeiseizoen, zet zaad en sterft af. Het zaad kiemt in vier tot vijf weken. De vruchtzetting is voor een eenjarige navenant productief: een plant met vijf bloemsteeltjes levert evenzoveel doosvruchten, die na het afsterven van de rozet op de kale grond openspringen. Daarmee staat of valt de populatie, want er blijft niets van de plant zelf over.

Gelijkende soorten

De uiterst kleine bloem met een spoor van hooguit tweeënhalve millimeter scheidt de soort van alle andere Mexicaanse vetbladen. De enige echte kandidaat voor verwarring is Pinguicula lilacina, die eveneens eenjarig is en kleine bloemen heeft, maar die zijn met acht tot zeventien millimeter aanzienlijk groter, lila van kleur en met een gele keelvlek. P. takakii, ook eenjarig, groeit op gips en heeft eveneens grotere bloemen. Bij een eenjarig vetblad in Chiapas met een bloem van minder dan een centimeter is de determinatie dus vrijwel rond.

De val en hoe hij werkt

Een lijmval die maar één seizoen hoeft te werken, op een klein maar relatief breed blad. De gesteelde klieren houden de prooi vast, de zittende klieren tussen de steeltjes leveren verteringsenzymen zodra er contact is. Omdat de plant binnen enkele maanden moet kiemen, groeien, bloeien en zaad zetten, komt de voedingswinst uit insecten rechtstreeks ten goede aan de zaadproductie. De prooi bestaat uit springstaarten, muggen en de kleinste vliegjes uit de vochtige lucht van een beschaduwde berm.

Standplaats en ecologie

Vochtige, beschaduwde taluds en bermen in het bergland van Chiapas, in de zone van vochtig bergbos (B1, R1). De typelocatie ligt bij Yerba Buena, vlak bij Pueblo Nuevo, op een schaduwrijke helling langs een weg. De standplaats is dun, nat en weinig begroeid: precies het soort plek waar een kleine eenjarige zich staande kan houden zolang er geen dichte vegetatie komt. Doordat de plant aan een zaadbank hangt en niet aan meerjarige rozetten, kan zij in het ene jaar talrijk zijn en in het volgende vrijwel ontbreken. Dat de enige bekende vindplaats een wegberm is, hoeft niet te betekenen dat de soort een bermplant is: waarschijnlijker is dat bermen de enige plekken in dit dichtbegroeide bergland zijn waar zo'n kleine eenjarige licht en open grond vindt — en meteen ook de enige plekken waar een botanicus haar opmerkt.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor Mexico en, voor zover gepubliceerd, bekend van één gebied in Chiapas. Onze soortenlijst noemt Oaxaca en Chiapas; de literatuur kent alleen Chiapas, en de typelocatie ligt in dat deelgebied. Wij houden hier Chiapas aan. Dat het bij één bekende vindplaats blijft zegt vermoedelijk evenveel over de zoekbaarheid van de soort als over haar werkelijke zeldzaamheid: een eenjarige plant van een paar centimeter met een bloem van een halve centimeter wordt zonder gerichte zoektocht niet gevonden.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 6 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen wilde variëteiten beschreven, en dat is bij een soort die van één gebied bekend is ook nauwelijks te verwachten. De variatie die in de beschrijving wordt gemeld betreft de bloemmaat en het aantal bloemstelen per plant, en die hangen bij een eenjarige sterk samen met hoe goed het seizoen is geweest: een plant die veel heeft gevangen maakt meer en grotere bloemen. Omdat de soort geen vegetatieve vermeerdering kent, ontbreken de klonale polletjes die bij veel verwanten opvallen.

Waar en wanneer te zien

Ga tegen het einde van het groeiseizoen, want alleen dan staan de bloemen. Zoek op vochtige, beschaduwde bermen en taluds in het bergland, op plekken met weinig begroeiing en een natte, dunne bodemlaag. Ga zitten: de bloem is kleiner dan een rijstkorrel en de rozet valt tussen mos volledig weg. Een plek waar de soort vorig jaar stond kan dit jaar leeg zijn, want alles hangt aan de zaadbank; kom dus liever meerdere seizoenen terug dan lang op één plek te blijven zoeken.

Staat van instandhouding

Niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en niet in CITES opgenomen. Wat bekend is, is zorgelijk weinig: één gepubliceerde vindplaats, een eenjarige levenswijze waardoor het aantal planten sterk per jaar verschilt, en geen enkele telling. De standplaats — een berm langs een weg in het bergland — is bovendien van het soort dat bij wegonderhoud, verbreding of het vastleggen van een talud in één seizoen kan verdwijnen. Een beoordeling zou hier meerjarig veldwerk vergen om vast te stellen of de soort nog aanwezig is en waar nog meer.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula sharpii | Casper & Kondo, 1977

Beschreven door Siegfried Jost Casper en Katsuhiko Kondo in 1977, in Brittonia, op basis van materiaal dat in de winter van 1972 werd verzameld door A.J. Sharp. De typelocatie ligt op een vochtige, beschaduwde helling langs een weg bij Yerba Buena, nabij Pueblo Nuevo, in de Mexicaanse staat Chiapas, op ongeveer 1599 meter hoogte. De soortnaam eert Dr. A.J. Sharp, van de University of Tennessee in Knoxville, die het oorspronkelijke materiaal verzamelde.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.