Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula parvifolia
Pinguicula parvifolia
Zoals de naam zegt: een vetblad met kleine bladeren. Pinguicula parvifolia werd in 1894 beschreven naar materiaal uit de Sierra de San Esteban bij Guadalajara en is sindsdien maar zelden gemeld. Het is een van de minst bekende Mexicaanse soorten in deze gids, en in het veld een plantje van nauwelijks twee centimeter met een bleke, kleine bloem.

Herkenning
Een kleine rozet met bladeren van twee duidelijk verschillende maten: de buitenste zijn smal, 15 tot 22 mm lang en slechts 2 tot 3 mm breed, de binnenste korter maar breder, 8 tot 18 mm lang en 3 tot 6 mm breed; in het andere seizoen blijven de bladeren nog kleiner, 5 tot 9 mm lang en 1,5 tot 2,5 mm breed. Per plant komen één tot drie dunne bloemstelen van 3 tot 10 cm. De bloem is klein, 12 tot 17 mm inclusief spoor, en van kleur purperblauw tot witachtig; de spoor is bijna cilindrisch, stomp of kort toegespitst. De hele plant is zo klein en zo kleurloos dat zij buiten de bloei nauwelijks op te merken valt.
Gelijkende soorten
De oorspronkelijke beschrijving van Pinguicula rotundiflora uit 1985 noemt juist deze soort als naaste verwant; P. rotundiflora heeft echter bredere, ronde kroonslippen en komt uit het noordoosten van Mexico, terwijl P. parvifolia in het westen groeit. Onder de westelijke soorten zijn P. macrophylla en P. oblongiloba alleen al op grootte uit te sluiten. Een klein vetblad met een bleke bloem van hooguit anderhalve centimeter in het bergland bij Guadalajara is dus een goede kandidaat voor deze soort — maar controleer of het geen jonge plant van iets groters betreft. Een bijkomend probleem is dat jonge planten van grotere soorten in hun eerste jaren precies zo klein zijn als een volwassen P. parvifolia; alleen een bloeiende plant geeft uitsluitsel. Wie buiten de bloeitijd zoekt, moet zich dus met 'kleine vetblad, onbepaald' tevredenstellen.
De val en hoe hij werkt
Een lijmval op een zeer klein blad. De gesteelde klieren dragen een kleverige druppel en houden de prooi vast; de zittende klieren daartussen geven verteringsenzymen af zodra er contact is, waarbij de bladrand zich nauwelijks zichtbaar naar binnen buigt. Met bladeren van een paar millimeter breed is de vangst uitsluitend klein: springstaarten, mijten, de kleinste muggen en vliegjes. Voor een plant die op een mossig, schraal talud groeit, waar de bodem vrijwel geen stikstof levert, is ook die geringe vangst van belang. Bij zo'n klein vangoppervlak wordt het aantal bladeren belangrijker dan de grootte ervan: de plant compenseert met een rozet van vrij veel blaadjes die elk een paar vierkante millimeter kleefoppervlak bijdragen. Het totaal blijft bescheiden, maar op een schrale mosbodem levert ook dat een merkbare voedingswinst op.
Standplaats en ecologie
Mossige, grindrijke steilkantjes en taluds in bergland, waar de bodem dun is en het water snel wegtrekt maar de mosbedekking vocht vasthoudt (R1, R2, B5). De vegetatie eromheen is open dennen- en eikenbos of struweel. Omdat de gepubliceerde waarnemingen schaars zijn, is de standplaatsbeschrijving in de literatuur summier; wat er staat, wijst op beschaduwde of halfbeschaduwde plekken met permanente of periodieke vochtigheid en zeer weinig concurrentie. De hoogteligging is die van het bergland rond Guadalajara.
Verspreiding en hoogte
Endemisch voor Mexico, met de typelocatie in de Sierra de San Esteban bij Guadalajara in Jalisco. Onze soortenlijst zegt alleen 'Mexico'; de literatuur plaatst de soort in westelijk Mexico, in Jalisco en aangrenzend bergland. Het aantal bekende vindplaatsen is zeer klein, en sinds de beschrijving uit 1894 is er weinig gericht naar gezocht. Of het areaal werkelijk zo beperkt is of dat de soort simpelweg over het hoofd wordt gezien, valt met de huidige gegevens niet uit te maken.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
Er worden geen wilde variëteiten onderscheiden. De opvallendste variatie binnen de soort is de bloemkleur, die van purperblauw tot vrijwel wit loopt, en het verschil tussen de bladmaten van de twee seizoenen — dat laatste is geen vormenkwestie maar normale seizoensdimorfie. Over variatie tussen populaties is zo goed als niets bekend, eenvoudigweg omdat er te weinig populaties zijn onderzocht. Natuurlijke kruisingen zijn niet gepubliceerd.
Waar en wanneer te zien
Zoek in het voorjaar en de zomer, wanneer de bloemen boven de rozet uitsteken; buiten de bloei is de plant praktisch onvindbaar. Loop mossige taluds en grindkantjes af in open dennen- en eikenbos, en kijk naar de dunne steeltjes met een klein, bleek bloempje. Ga zitten en werk kleine oppervlakken af; van sta-hoogte ziet de rozet eruit als een plukje mos. Wie deze soort vindt, doet er goed aan de vindplaats en de datum nauwkeurig vast te leggen: voor een plant die zo zelden wordt gemeld is elke goed gedocumenteerde waarneming van belang.
Staat van instandhouding
Niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en niet in CITES opgenomen. Over deze soort is minder bekend dan over vrijwel alle andere in deze groep: er zijn weinig gepubliceerde vindplaatsen, geen populatiecijfers en nauwelijks recent veldwerk. Het bergland bij Guadalajara is een gebied waar stadsuitbreiding, wegaanleg en brand een reële druk vormen op kleine, geïsoleerde standplaatsen. Het ontbreken van een beoordeling weerspiegelt hier vooral het gebrek aan gegevens, en de eerste stap zou zijn om vast te stellen of de soort nog op haar historische vindplaatsen voorkomt.
Wetenschappelijke naam
Pinguicula parvifolia | Robinson, 1894
Beschreven door Benjamin Lincoln Robinson in 1894, in Proceedings of the American Academy of Arts and Sciences 29: 320–321. De typelocatie ligt in de Sierra de San Esteban, nabij Guadalajara, in de Mexicaanse staat Jalisco. De naam "parvifolia" is Latijn voor "kleinbladig" en verwijst naar de kleine bladeren van deze soort (5–9 mm in de zomerrozet, 8–22 mm in de winterbladeren).
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.