Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula macroceras
Pinguicula macroceras
Een vetblad met een areaal dat op de kaart uiteenvalt in twee stukken die duizenden kilometers oceaan van elkaar scheidt: Japan, Korea en Kamtsjatka aan de ene kant, de Aleoeten en de westkust van Noord-Amerika aan de andere. Pinguicula macroceras is de Noord-Pacifische tegenhanger van ons eigen P. vulgaris, en zoals de naam zegt onderscheidt hij zich door een lange spoor.


Herkenning
Een vlakke rozet van geelgroene, omgekeerd eironde tot langwerpige bladeren van twintig tot vijfenvijftig millimeter lang en zeven tot achttien breed, met een naar boven omgerolde rand — voor een vetblad een forse plant. Uit het hart komen één tot drie of meer bloemstelen van tweeënhalf tot vijftien centimeter, bij uitzondering eenentwintig, elk met één bloem. De bloem is twaalf tot zevenentwintig millimeter lang, met de spoor tot dertig, purperblauw, roze of zelden witachtig, met een witte keelvlek. De spoor is recht en cilindrisch en varieert sterk in lengte, van één tot elf millimeter; bij de forse planten is hij opvallend lang en dat is waar de soortnaam op slaat. De plant overwintert als winterknop.
Gelijkende soorten
De nauwste verwant is Pinguicula vulgaris, die in Europa en Noord-Azië staat en soms in het areaal van deze soort opduikt; de spoor van P. vulgaris is korter en spitser, de bloem doorgaans kleiner. In Japan groeit ook P. ramosa, met een vertakte bloemsteel en een witte bloem van hooguit elf millimeter, en P. algida en P. spathulata in Siberië zijn beide veel kleiner en hebben een witachtige bloem. In Noord-Amerika is verwarring met P. vulgaris mogelijk in Alaska en Canada; daar bepaalt de lengte van de spoor de uitkomst. Bij een geelgroene rozet van meer dan drie centimeter met een blauwpaarse bloem op een lange steel zit men in het Noord-Pacifische gebied goed.
De val en hoe hij werkt
Een lijmval van het klassieke vetbladtype, maar met een aanzienlijk oppervlak: een volgroeide rozet van vijf centimeter doorsnee vangt in een goed seizoen honderden kleine insecten. De gesteelde klieren dragen de kleefdruppel, de zittende klieren daaronder komen in actie zodra er een prooi ligt, en de bladrand rolt zich dan langzaam naar boven zodat het verteringsvocht in een ondiepe schotel blijft staan. In de kwelmilieus waar de soort groeit, zwermen in de zomer dansmuggen en kleine vliegen in dichte wolken vlak boven het natte oppervlak — precies op rozethoogte. Aan het eind van de zomer ligt een oud blad zwart van de resten.
Standplaats en ecologie
Natte, doorsijpelde rotsen en kwelhellingen (R1), open bodem boven de boomgrens en in de subalpiene gordel (R5), en drassige bergweiden en bronmoerassen (W6). In het noordwesten van de Verenigde Staten groeit de soort daarnaast op ultramafisch gesteente: de beroemde serpentijnkwellen van de Siskiyou-bergen, waar hij samen met de cobralelie Darlingtonia californica staat (R3). Overal gaat het om een permanent natte, voedselarme en open standplaats in een koel klimaat, van zeeniveau in het noorden tot in de bergen verder zuidwaarts.
Verspreiding en hoogte
Een Noord-Pacifische verspreiding rond de oceaan: Noord-Korea, Kamtsjatka en noordelijk en centraal Japan, en aan de overzijde de Aleoeten, Alaska, Brits-Columbia en zuidwaarts tot in Californië. De soort is dus niet endemisch en komt in twee werelddelen voor. In Japan ligt hij van laagland-kloven op enkele honderden meters tot in het hooggebergte; in Noord-Amerika van de kust tot in de bergketens van Oregon en Californië. Onze soortenlijst noemt Noord-Amerika en Japan, wat klopt, al blijven Kamtsjatka en Korea daarbij buiten beeld.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
Binnen deze soort worden in Noord-Amerika wel lokale eenheden onderscheiden; de bekendste is de vorm van de serpentijnkwellen in het grensgebied van Oregon en Californië, die klein blijft en een korte spoor heeft en door sommige auteurs als aparte ondersoort wordt gevoerd. Verder varieert de soort sterk in bloemgrootte en sporenlengte — de opgegeven één tot elf millimeter is voor één soort een opmerkelijke spreiding — en die variatie hangt deels samen met de standplaats. De grens met P. vulgaris is in Noordoost-Azië niet overal scherp. Natuurlijke hybriden zijn er beschreven waar beide soorten samen staan.
Waar en wanneer te zien
Zoek langs het water op koele hellingen. In Japan zijn kloven en beekdalen met natte rotswanden de beste plekken; in het noordwesten van de Verenigde Staten zijn het de serpentijnkwellen, waar de soort tussen de bekers van de cobralelie staat en met de blauwpaarse bloem meteen opvalt. De rozet is groot genoeg om ook zonder bloem te zien, maar de bloem is wat je van een afstand vindt. Ga in de vroege zomer, kort nadat de sneeuw is verdwenen. Kwelhellingen zijn kwetsbaar voor vertrapping; blijf op de rand en gebruik een verrekijker om de helling af te zoeken.
Staat van instandhouding
De soort is op de wereldwijde IUCN-Rode Lijst beoordeeld als niet bedreigd, en staat niet in CITES. Dat past bij een areaal dat rond de hele Noordelijke Stille Oceaan loopt en in grote delen daarvan in dunbevolkt of beschermd gebied ligt. Toch is het beeld niet overal gunstig. In Japan zijn veel groeiplaatsen klein en geïsoleerd en staan ze onder druk van waterwerken, bosbouw en het steeds talrijker wordende wild dat de vegetatie kaal vreet; in Californië en Oregon zijn de serpentijnkwellen beperkt van oppervlak en gevoelig voor verandering van het waterregime en voor mijnbouw. De brede beoordeling zegt dus iets over de soort als geheel, niet over elke populatie.
Wetenschappelijke naam
Pinguicula macroceras | Pallas ex Link, 1820
Op naam gebracht door Peter Simon Pallas, geldig gepubliceerd door Johann Heinrich Friedrich Link in 1820, in Jahrbuch der Gewächskunde 1(3): 54. Het oorspronkelijke typemateriaal is tijdens de Tweede Wereldoorlog verloren gegaan. De soort komt voor langs de Pacifische kust van Noord-Amerika. De naam komt van het Grieks makros (groot, lang) en keras (hoorn), en verwijst naar de opvallend lange spoor van de bloem.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.