Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula hemiepiphytica

Pinguicula hemiepiphytica

De naam zegt het al: dit is een vetblad dat ook in bomen groeit. Pinguicula hemiepiphytica zit in de mospakketten op stammen en takken in het nevelwoud van de Sierra de Juárez in Oaxaca, en daarnaast op kalkrotsen en mossige taluds. De soort werd in 1991 beschreven door Zamudio en Rzedowski, en is een van de weinige vleesetende planten van Mexico die je met opgeheven hoofd moet zoeken.

Pinguicula hemiepiphytica
Foto: Álvaro San José Elizundia — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Herkenning

In de droge tijd staat er een smalle winterrozet van blaadjes van 10 tot 20 mm lang en slechts 1 tot 6 mm breed. De zomerrozet is veel forser: bladeren van 20 tot 70 mm lang en 12 tot 55 mm breed, vlak uitgespreid en met een dicht klierdek. Per plant komen één tot drie bloemstelen omhoog. De bloem is groot en variabel: 35 tot 80 mm inclusief spoor, violetpurper tot karmijn met een opvallend witte keel; de bovenlip meet 10 tot 19 mm, de slippen van de onderlip 8 tot 21 mm. De spoor is cilindrisch tot priemvormig, 12 tot 30 mm lang, recht of gebogen. Die grote spreiding in bloemmaat is voor het geslacht ongebruikelijk en maakt het determineren op maat alleen onbetrouwbaar.

Gelijkende soorten

De groeiplaats is het sterkste kenmerk: geen andere Mexicaanse vetblad wordt zo geregeld als epifyt op mossige stammen aangetroffen. Op rots kan verwarring optreden met Pinguicula moranensis, die in hetzelfde gebergte staat; die heeft doorgaans een egaler gekleurde bloem zonder de scherp afgetekende witte keel, en een andere bladvorm. Ook de eveneens in Oaxaca voorkomende P. laueana heeft een rode bloem, maar met een spoor van vier centimeter en zonder witte keel. Bij twijfel is de combinatie van witte keel en korte tot middellange spoor doorslaggevend.

De val en hoe hij werkt

Een lijmval op een breed, vlak blad. De gesteelde klieren dragen een heldere druppel en houden de prooi vast; de zittende klieren tussen de steeltjes leveren de verteringsenzymen zodra er contact is. De bladrand rolt zich daarna over de prooi heen, zodat het vocht in een ondiepe kom blijft. Voor een plant die op een stam of tak zit, is dat vasthouden van vocht wezenlijk: er is geen bodem die het tekort aanvult. In ruil daarvoor is de prooidruk in nevelwoud hoog — muggen, dansmuggen en kleine vliegen zijn er in wolken, en oudere bladeren liggen er vol mee.

Standplaats en ecologie

Nevelwoud op de noordelijke hellingen van de Sierra de Juárez, tussen ongeveer negentienhonderd en drieëntwintighonderd meter (B1). De planten groeien op steile, met mos bedekte taluds, op kalkrotsen en als epifyt in de mospakketten op boomstammen en dikke takken (R1, R2). Het is een koel, vrijwel permanent vochtig milieu waar mist het grootste deel van het jaar tegen de helling hangt; de mospakketten houden dat vocht vast en vormen het enige wortelmilieu dat de plant nodig heeft. Waar het mos verdwijnt — na kap, brand of uitdroging — verdwijnt de soort mee.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor Mexico en voor zover bekend beperkt tot de Sierra de Juárez in Oaxaca, met de klassieke vindplaatsen langs de weg van Ixtlán naar Valle Nacional. Onze soortenlijst noemt Oaxaca, en dat klopt. Het areaal is klein en valt samen met de nevelwoudgordel op de noordflank van het gebergte; onder en boven die gordel ontbreekt de soort. Dat maakt haar afhankelijk van een smalle strook die bovendien gevoelig is voor verandering in het mistregime.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 4 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

De soort is opvallend variabel in bloemmaat en bloemkleur — van violetpurper tot karmijn, en van drieënhalf tot acht centimeter lang — maar die variatie is geleidelijk en er worden geen wilde variëteiten onderscheiden. Planten die als epifyt groeien blijven meestal kleiner dan die op taluds, wat eerder met de beperkte wortelruimte dan met erfelijke aanleg te maken heeft. Natuurlijke kruisingen met P. moranensis zijn uit hetzelfde gebergte gemeld; tussenvormen met een minder scherp afgetekende keel verdienen daarom aandacht.

Waar en wanneer te zien

Ga in het voorjaar, als de meeste planten bloeien, en zoek langs de weg tussen Ixtlán en Valle Nacional waar het nevelwoud tot aan de berm komt. Kijk zowel omlaag naar de mossige taluds als omhoog naar de stammen: op ooghoogte en hoger zitten de epifytische exemplaren, vaak in de dikste mospakketten aan de noordzijde van een stam. Een verrekijker helpt. Op mistige ochtenden is het klierdek zwaar van de condens en licht het op zodra er wat licht doorbreekt.

Staat van instandhouding

Niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en niet in CITES opgenomen. Wat bekend is, wijst op een soort met een klein areaal in een bedreigd vegetatietype: het nevelwoud van de Sierra de Juárez staat onder druk van houtkap, wegverbreding en omzetting naar landbouw, en juist epifyten verdwijnen bij het verlies van oude bomen als eerste. Daarnaast is de soort door haar grote, kleurige bloem aantrekkelijk voor verzamelaars. Gepubliceerde populatiecijfers ontbreken, zodat een trend niet te onderbouwen valt; dat het dossier leeg is, betekent hier nadrukkelijk niet dat er niets aan de hand is.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula hemiepiphytica | Zamudio & Rzedowski, 1991

Beschreven door Sergio Zamudio en Jerzy Rzedowski in 1991, in Acta Botanica Mexicana 14: 23–32. Het typegebied ligt in de Sierra de Juárez, in de nevelwouden van de Mexicaanse deelstaat Oaxaca. De soortnaam hemiepiphytica is samengesteld uit het Griekse hemi- ("half") en "epifytisch" en verwijst naar de groeiwijze van deze soort, een van de weinige Pinguicula-soorten die deels als epifyt op bomen groeit.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.