Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula gypsicola

Pinguicula gypsicola

Van alle Mexicaanse vetbladen is dit misschien de vreemdste: een plant met lange, smalle, bijna grasachtige zomerbladeren die in een cactuslandschap op wit gips groeit. Pinguicula gypsicola werd in 1911 beschreven naar materiaal uit San Luis Potosí en draagt zijn standplaats in de naam. Het is een soort van hitte, dauw en een bodem waar bijna geen concurrent tegen bestand is.

Pinguicula gypsicola
Foto: Noah Elhardt — CC BY-SA 2.5 · Wikimedia Commons

Herkenning

De plant verschilt zomer en winter zo sterk dat je twee soorten zou vermoeden. De winterrozet bestaat uit korte, dikke, vlezige blaadjes van 4 tot 10 mm, dakpansgewijs opeen en met weinig klieren. De zomerrozet maakt lange, lijn- tot lepelvormige bladeren van 40 tot 70 mm lang en slechts 4 tot 8 mm breed, die enigszins rechtop staan en aan de rand omkrullen — een vorm die aan een smalbladige aloë doet denken en die voor het geslacht ongebruikelijk is. De bladkleur loopt van helgroen tot roodachtig. De bloemsteel wordt 7,5 tot 12,5 cm en draagt één bloem van 34 tot 42 mm inclusief de spoor. De bloem is violetpurper met een lichtere keel; de spoor is opvallend slank en met 20 tot 26 mm langer dan buis en lippen samen. Bloei valt samen met het aantrekken van de zomergroei, ruwweg juni tot september.

Gelijkende soorten

De lange, smalle zomerbladeren maken de soort in het veld vrijwel onmiskenbaar; geen andere vetblad in het droge Mexicaanse hoogland heeft zulke bladeren. In de winterrozet is de zaak lastiger: die lijkt op die van P. ehlersiae en P. esseriana, die deels op dezelfde gipsbanken staan. Dan beslist de bloem, want de zeer lange, dunne spoor van P. gypsicola is bij die twee veel korter. Hybriden met verwanten zijn van gemengde vindplaatsen gemeld en tonen bladeren van tussenliggende breedte.

De val en hoe hij werkt

Een lijmval op een smal blad, en dat heeft gevolgen voor de manier van vangen. Waar breedbladige verwanten de bladrand over de prooi heen rollen, buigt bij P. gypsicola vooral de gootvormige bladhelft iets naar binnen, zodat het verteringsvocht in de lengterichting blijft staan. De gesteelde klieren houden het insect vast, de zittende klieren leveren de enzymen zodra de prooi contact maakt. De vangst bestaat in dit landschap vooral uit kleine vliegen, muggen, mieren en springstaarten die in de koele ochtenduren over het gips lopen. Buiten het regenseizoen ligt het vangen zo goed als stil, omdat de winterrozet nauwelijks klieren draagt.

Standplaats en ecologie

Gips. De soort groeit op vochtige, meestal beschaduwde gipsrotsen en gipsbanken in een xerofiel landschap van cactussen, agaven, Dasylirion en Hechtia (R1, R2, D4). De zomers zijn zeer heet en de regenval is gering en kortstondig, maar 's nachts slaat er zware dauw neer, en juist die dauw plus de sijpeling langs de gipswand houdt de planten in leven. In de winter kan het er vriezen en valt er nauwelijks neerslag; dan staat de plant als een gesloten knop te wachten. Gips is door het hoge sulfaatgehalte en de geringe voedselrijkdom voor de meeste planten onbruikbaar, en dat is precies de ruimte die deze vetblad benut.

Verspreiding en hoogte

Mexicaanse endemeet, bekend van enkele gebieden in San Luis Potosí, onder meer bij Minas de San Rafael en Santa Gertrudis ten westen van de stad San Luis Potosí. Onze soortenlijst vermeldt alleen 'Mexico'; in de literatuur staat de soort steeds als endemeet van San Luis Potosí, en dat is wat wij hier aanhouden. Het areaal is klein en versnipperd, want het valt samen met de verspreiding van de gipsafzettingen zelf: waar het gips ophoudt, houdt de soort op.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. Het donkere vak is het enige hok van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt. Het zegt waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

De variatie in het wild is gering en er worden geen variëteiten onderscheiden. Wat verschilt, is vooral de bladkleur — helgroen op beschaduwde wanden, roodachtig in de volle zon — en de lengte van de zomerbladeren, die in natte jaren aanzienlijk langer worden. Wel zijn er van vindplaatsen waar de soort samen met andere gipsbewonende vetbladen staat natuurlijke kruisingen beschreven; die planten hebben bredere bladeren en een spoor van tussenliggende lengte en zijn in deze gids bij de ouders ondergebracht. Kweekvormen blijven hier buiten beschouwing.

Waar en wanneer te zien

Juli en augustus, kort na de eerste stevige regens, is het beste moment: dan staan de lange zomerbladeren uitgestrekt en komen de bloemen. Zoek aan de schaduwzijde van gipsbanken en in ondiepe holtes, waar het oppervlak nog vochtig aanvoelt, en volg de voet van kleine gipskliffen in plaats van de open helling. De smalle bladeren doen tussen droog gras sterk aan een grasplantje denken; kijk naar de glans van de klieren. Ga vroeg, als de dauw nog ligt en het gips donker kleurt waar water zit.

Staat van instandhouding

Niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en niet in CITES opgenomen. Bekend is dat de soort zeer nauw aan gips gebonden is en van een beperkt aantal plekken in één deelstaat komt. Gips wordt in dat gebied gewonnen, en de combinatie van winning, wegaanleg en begrazing is de voor de hand liggende druk; er zijn echter geen gepubliceerde tellingen waarmee een trend te onderbouwen valt. Verzamelen voor de handel wordt als aanvullend risico genoemd, hoewel de soort in cultuur algemeen is. Het ontbreken van een beoordeling is hier een echte leemte: juist een sterk bodemgebonden endemeet met weinig vindplaatsen zou zich voor toetsing lenen.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula gypsicola | Brandegee, 1911

Beschreven door Townshend Stith Brandegee in 1911. Het typegebied ligt ten westen van de stad San Luis Potosí, in de gelijknamige Mexicaanse deelstaat. De soortnaam gypsicola is samengesteld uit het Latijnse gypsum ("gips") en -cola ("bewoner van") en verwijst naar de gipshoudende bodem waarop deze soort groeit.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.