Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula esseriana
Pinguicula esseriana
Een dwerg tussen de Mexicaanse vetbladen, en een die er buiten de bloei eerder uitziet als een vetplantje dan als een vleeseter. Pinguicula esseriana vormt in het droge seizoen een strak, bijna artisjokvormig knopje van dikke, spatelvormige blaadjes op de gipsheuvels van San Luis Potosí. Wie de soort in het veld zoekt, zoekt naar iets ter grootte van een duimnagel, tussen kalk- en gipsgruis waar verder vrijwel niets groeit.



Herkenning
Twee gedaanten in één jaar. In de droge maanden staat er een compacte winterrozet van dikke, vlezige, spatelvormige blaadjes die dakpansgewijs over elkaar liggen en grijsgroen tot roodpaars kleuren; dat knopje is weinig groter dan een vingertop en draagt nauwelijks kleverige klieren. Zodra de regens komen, ontvouwt zich de zomerrozet: dunnere, plattere bladeren, in de oorspronkelijke beschrijving opgegeven als tot ongeveer 18 mm breed aan de top, met een glanzend klierdek. De bloem staat op een dunne steel van ongeveer 8 cm en is bleek tot donker violet met een lichtere keel; de onderlip is opvallend breed, ongeveer 18 mm, en de slanke spoor steekt duidelijk naar achteren. De plant maakt gemakkelijk nieuwe rozetten uit afvallende blaadjes, zodat je vaak dichte kluitjes van tientallen knopjes bij elkaar vindt.
Gelijkende soorten
De naaste verwant is Pinguicula ehlersiae, die op dezelfde gipsbodems in San Luis Potosí staat en door sommige auteurs zelfs als variëteit van P. esseriana is behandeld. P. ehlersiae heeft een iets vlakkere winterrozet met een duidelijke lichte vlek op het blad en een bloem met een haakvormig gebogen spoor. Ook P. debbertiana uit hetzelfde gebied lijkt sterk; die is kleiner van bloem en heeft een korter, wat dikkere spoor. Buiten de bloei zijn de drie in het veld nauwelijks te scheiden, en ook de literatuur geeft toe dat de grenzen hier onscherp zijn.
De val en hoe hij werkt
Een lijmval die maar een deel van het jaar werkt. Alleen de zomerbladeren dragen het volle klierdek: gesteelde klieren met een kleverige druppel en daartussen zittende klieren die verteringsenzymen afgeven zodra er een prooi op ligt. De winterrozet is grotendeels kliervrij en dient om de droogte door te komen, niet om te vangen. Met kleine, vlakke bladeren is de vangst navenant klein: springstaarten, muggen, kleine vliegjes en wat er in de gipsheuvels bij de dauw in beweging komt. De bladrand rolt bij deze soort maar een klein stukje om, genoeg om het verteringsvocht rond de prooi te houden.
Standplaats en ecologie
De gips- en kalkheuvels van het droge binnenland van San Luis Potosí, in doornstruweel met agaven, hechtia's en cactussen (R2, D4). Het is een bij uitstek onherbergzame standplaats: hete zomers, een korte regentijd, vrijwel geen zomerregen buiten die periode, en 's nachts zware dauw die de planten door de droogte helpt. De rozetten zitten op noordhellingen, in spleten en aan de voet van gipsbanken waar het wat langer vochtig blijft, vaak tussen mosjes en Selaginella. Gips is voor de meeste planten een onmogelijke bodem — te weinig voedsel, te veel sulfaat — en juist daar houdt deze soort de concurrentie van zich af.
Verspreiding en hoogte
Mexicaanse endemeet, bekend uit het droge deel van San Luis Potosí, met de klassieke vindplaatsen rond El Huizache en Guadalcázar. De opgave in onze soortenlijst luidt alleen 'Mexico'; de literatuur is preciezer en wijst op San Luis Potosí. De hoogteligging ligt ruwweg tussen twaalf- en zeventienhonderd meter, op het hoogland ten oosten van de Sierra Madre Oriental. Het gebied is klein, maar binnen dat gebied kan de soort op geschikte gipsbanken plaatselijk talrijk zijn.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er worden in het wild geen variëteiten onderscheiden, maar tussen populaties verschilt de bloemkleur duidelijk: van bleek lilaviolet tot een diep, verzadigd violet. Ook de mate waarin de winterrozet rood aanloopt wisselt, en dat hangt vooral af van de mate van bezonning: planten op een open gipsbank kleuren purper, planten in de schaduw van een agave blijven grijsgroen. De grens met P. ehlersiae is, zoals gezegd, omstreden; verschillende auteurs beschouwen de twee als vormen van één variabele soort, en op sommige heuvels staan planten die precies tussen beide in vallen.
Waar en wanneer te zien
Ga in de regentijd, van juni tot september, wanneer de zomerrozetten open staan en de bloemen erboven uitsteken; in de droge maanden zijn de knopjes vrijwel onzichtbaar tussen het gruis. Zoek aan de noord- en oostzijde van gipsheuvels, laag bij de grond, in de luwte van hechtia's en agaven. Ga op de knieën zitten: de planten zijn kleiner dan de kiezels eromheen, en pas met de neus erop zie je het klierdek glinsteren. Let op de dauw in de vroege ochtend; dan zijn de rozetten donker en vochtig en steken ze het best af tegen het bleke gips.
Staat van instandhouding
Niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst, en niet in CITES opgenomen. Het bekende areaal is klein en beperkt tot een bijzondere bodemsoort, wat de soort per definitie kwetsbaar maakt voor gipswinning, wegaanleg en overbegrazing — alle drie in dit deel van San Luis Potosí gewone ingrepen. Daar staat tegenover dat de planten op de gipsbanken zelf soms in grote aantallen bij elkaar staan en dat de soort in cultuur zeer gemakkelijk is te vermeerderen, zodat de handel geen reden heeft om wilde planten te betrekken. Zonder formele beoordeling blijft dit een dossier met veel losse waarnemingen en geen samenhangend beeld van de trend.
Wetenschappelijke naam
Pinguicula esseriana | Kirchner, 1981
Beschreven door Bernd Kirchner in 1981, in Willdenowia 11(2): 317–319. Het typegebied ligt in Mexico. De herkomst van de soortnaam esseriana (vermoedelijk een eerbetoon aan een persoon met de naam Esser) kon niet met zekerheid worden achterhaald.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.