Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula fiorii
Pinguicula fiorii
De Majella in de Abruzzen is een massief van kaal kalksteen, diepe kloven en bronnen die halverwege een rotswand uit de berg komen. Daar groeit Pinguicula fiorii, een klein vetblad dat in 1987 werd beschreven en dat buiten dit ene massief nergens voorkomt.

Herkenning
Een vlakke rozet van gaafrandige, langwerpig eivormige bladeren die geelgroen zijn, vettig aanvoelen en met de rand naar boven omkrullen. Uit het hart komen dunne bloemstelen met elk één tweelippige bloem. Zoals bij vrijwel alle vetbladen bestaat die uit een tweelobbige bovenlip en een drielobbige onderlip met een keeltekening die de bezoeker naar binnen leidt, en zit er achteraan een spoor. Betrouwbare maten voor plant, kroon en spoor konden voor deze gids niet in een toetsbare bron worden gevonden; ze zijn hier daarom niet opgegeven. De plant overwintert als winterknop en verschijnt pas laat in het voorjaar, wanneer de sneeuw uit de hoge kloven is verdwenen.
Gelijkende soorten
In de Abruzzen groeien verschillende vetbladen door elkaar heen, en dat maakt determinatie hier lastiger dan in de Alpen: naast deze soort komen in Midden-Italië onder meer Pinguicula vallis-regiae uit de Camosciara en enkele lokaal beschreven ondersoorten van P. vulgaris voor. Die taxa zijn grotendeels op bloem- en zaadkenmerken van elkaar te scheiden en niet op het oog. Voor de veldgidslezer telt de geografie: een vetblad op een natte kalkwand in het Majella-massief is met grote waarschijnlijkheid P. fiorii, maar de zekerheid komt uit de literatuur, niet uit het veld.
De val en hoe hij werkt
Een lijmval van het klassieke vetbladtype. De bovenkant van het blad draagt gesteelde klieren met een kleverige, glinsterende druppel en daartussen zittende klieren die pas verteringsenzymen afgeven als er iets op ligt. Muggen, vliegjes en springstaarten uit de vochtige lucht langs de natte wand blijven vastzitten; het spartelen brengt meer klieren in contact met de prooi. Daarna rolt de bladrand zich traag naar de vangst toe zodat het verteringsvocht in een ondiepe geul blijft staan. Op kaal, permanent doorspoeld kalkgesteente is dat de enige manier om aan stikstof te komen.
Standplaats en ecologie
Natte kalkrotsen in het hooggebergte: druipende wanden, bronmonden halverwege een rotsbank, spleten waar smeltwater doorheen sijpelt, en natte grindhellingen in de gordel boven het bos. De soort vraagt een permanente watervoorziening en verdraagt geen droogte en geen concurrentie van hogere vegetatie. Juist omdat de Majella een kalkmassief is dat het meeste regenwater meteen naar binnen laat lopen, zijn deze natte plekken zeldzaam en scherp begrensd: ze liggen daar waar het water weer uit de berg komt, en daarbuiten is het gesteente kurkdroog.
Verspreiding en hoogte
Alleen het Majella-massief in de Abruzzen, Midden-Italië, en daarbinnen een beperkt aantal standplaatsen. De soort is een strikte endemeet van dit ene bergmassief, wat in de Apennijnen geen uitzondering is: het gebergte bestaat uit een reeks kalkblokken die door brede, droge dalen van elkaar worden gescheiden, en een plant die aan permanent nat gesteente hangt kan die dalen niet oversteken. Het grootste deel van het areaal ligt binnen het nationale park van de Majella, wat voor de bescherming gunstig is.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er worden geen variëteiten in het wild onderscheiden. De variatie die in het veld opvalt, betreft de plantgrootte en het aantal bloemen per rozet, en volgt de natheid en de beschutting van de standplaats. Het taxon zelf is in de recente literatuur onderwerp van discussie geweest: moleculair onderzoek aan de Italiaanse vetbladen heeft de onderlinge verwantschappen van de Apennijnensoorten flink herschikt, en de grenzen tussen enkele van de midden-Italiaanse taxa worden niet door iedereen op dezelfde plaats getrokken. Cultivars of kweekvormen horen hier niet thuis.
Waar en wanneer te zien
Juni en juli zijn het beste moment, wanneer de sneeuw uit de hoger gelegen kloven weg is. Zoek niet op de kale kalkvlakte maar precies daar waar water uit de berg komt: bronmonden, druipende wanden onder rotsbanken, de natte strook langs een smeltwaterstroompje. Kijk omhoog en opzij in plaats van naar de grond, want de rozetten zitten vaak boven ooghoogte in een natte spleet. De Majella is ruw terrein; blijf op de gemarkeerde routes en gebruik een verrekijker in plaats van de wand te beklimmen.
Staat van instandhouding
De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde Rode Lijst; er is dus geen internationale categorie, en CITES is niet van toepassing. Wat wel bekend is, tekent het beeld: het volledige areaal is één kalkmassief, de standplaatsen zijn klein, van elkaar gescheiden en volledig afhankelijk van bronwater dat het hele jaar blijft lopen. Bescherming komt hier vooral van het nationale park waarin het massief ligt. De aandachtspunten zijn drogere zomers en kortere sneeuwseizoenen, die de bronafvoer verminderen, en het wegnemen van planten door verzamelaars, een risico dat bij elke nauw begrensde Italiaanse soort meespeelt.
Wetenschappelijke naam
Pinguicula fiorii | Tammaro & Pace, 1988
Beschreven door Fernando Tammaro en Loretta Pace in 1988, in Informatore Botanico Italiano 19. Het typegebied ligt in het Majella-gebergte in Midden-Italië, met vindplaatsen tussen 750 meter (Valle dell'Orfento) en ongeveer 2470 meter hoogte (Monte Focalone). De herkomst van de soortnaam fiorii (vermoedelijk een eerbetoon aan de Italiaanse botanicus Adriano Fiori) kon niet met volledige zekerheid worden bevestigd.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.