Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula crenatiloba

Pinguicula crenatiloba

Dit is het kleinste vetblad van het Amerikaanse vasteland en waarschijnlijk van het hele geslacht: een rozetje van nauwelijks een tot twee centimeter, met blaadjes van vijf of zes millimeter, dat als een groen puntje in het mos van een nat bergbos ligt. Pinguicula crenatiloba werd al in 1844 beschreven, maar hij is nog altijd zeldzaam gezien — niet omdat hij zeldzaam zou zijn, maar omdat vrijwel niemand er klein genoeg naar kijkt.

Pinguicula crenatiloba
Foto: Jose Manuel Basurto — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Herkenning

Een uiterst kleine, vlakke rozet, doorgaans één tot twee centimeter in doorsnede, van een handvol lichtgroene blaadjes die hoogstens vijf of zes millimeter lang worden. De bladrand is fijn gekarteld — daar komt de naam vandaan — en de bovenzijde draagt de gebruikelijke glinsterende klierdruppels, al is het klierdek door de geringe afmetingen met het blote oog nauwelijks als zodanig te herkennen. De bloemstelen zijn dun en kort en dragen één minuscuul bloempje, waarvan de onderlip driedelig lijkt en het korte spoor sterk naar voren is gebogen. De bloemkleur wordt in de literatuur als bleek — wit tot lichtviolet — opgegeven; omdat wij daarvoor geen toetsbare maat- of kleuropgave uit een flora of monografie hebben kunnen vinden, is het kleurveld in de feitenkaart leeg gelaten. De plant is zelfbestuivend en zet vrijwel altijd zaad.

Gelijkende soorten

Met niets te verwarren zodra je de maat ziet: geen enkel ander vetblad op het Midden-Amerikaanse vasteland blijft zo klein. In hetzelfde gebied groeien forse soorten als Pinguicula moranensis, P. mesophytica en P. hemiepiphytica, die alle tien tot dertig keer zo grote rozetten hebben. De echte verwarring is van een andere orde: een rozetje van vijf millimeter tussen het mos wordt eerder voor een kiemplant van een levermos of voor een jonge Utricularia aangezien dan voor een volwassen vleesetende plant. Wie op kleine schaal zoekt, herkent hem aan de gekartelde bladrand en aan de glinstering op het blad, die bij mossen ontbreekt.

De val en hoe hij werkt

De val is dezelfde actieve lijmval als bij de grote soorten, alleen op miniatuurformaat. Gesteelde klieren leveren een kleefdruppel, zittende klieren geven bij contact met een prooi verteringsenzymen af, en het bladoppervlak buigt zich bij een vangst licht op. Bij deze maat is het menu navenant: springstaarten, minuscule vliegjes en mijten die tussen het mos leven. Precies daaraan dankt de plant haar bestaan, want op de doorweekte, uitgespoelde bosbodem waarop zij groeit is stikstof schaars, en de kleinste dieren van de strooisellaag zijn daar het best bereikbare eiwit. Een vangst van één millimeter is voor een blad van vijf millimeter een volwaardige maaltijd.

Standplaats en ecologie

Natte, open plekken in bergbos: op grond tussen mossen in voortdurend vochtig woud, op mosbezette taluds en aardwanden, en langs de randen van bospaden en beekjes. De soort vraagt een bodem die nooit uitdroogt maar ook niet onder water staat, en licht genoeg om niet weggedrukt te worden — kale, natte minerale grond met een dun moskleed is het ideaal. Doordat zij zo klein is, kan zij standplaatsen benutten die voor een grotere rozet te krap zijn: de kop van een aardkluit, de rand van een hoefafdruk, een verse afkalving langs een pad. Dat maakt haar tot een pionier die na een verstoring snel verschijnt en weer verdwijnt zodra hogere planten het dichtgroeien.

Verspreiding en hoogte

Van zuidelijk Mexico door Midden-Amerika: Kew geeft als natuurlijk areaal Mexico tot Midden-Amerika, met opgaven uit Guatemala, El Salvador, Honduras, Costa Rica en Panama. In Mexico is de soort onder meer bekend uit Oaxaca, op het pad van Totontepec naar Ocotepec, en uit de omgeving van Tejupilco. Hier wijkt ons overzicht af van de soortenlijst van de gids, die alleen Mexico opgeeft: het areaal is in werkelijkheid veel ruimer en beslaat een groot deel van de Midden-Amerikaanse bergketen. De soort is dus niet endemisch. Door de geringe afmetingen is zij vrijwel zeker ondergerapporteerd en zullen er meer vindplaatsen zijn dan de kaart laat zien.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 49 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

Er worden geen variëteiten in het wild onderscheiden. Bij een zelfbestuivende plant met een groot maar sterk versnipperd areaal zou je juist veel plaatselijke vormen verwachten, en het is goed mogelijk dat die er zijn; ze zijn alleen nooit systematisch onderzocht, omdat er weinig verzameld materiaal bestaat en herbariumexemplaren van een plant van vijf millimeter zelden de kenmerken bewaren die je nodig hebt. De waargenomen variatie betreft vooral de grootte en het aantal bloemen per plant, en dat lijkt eerder met de vochtigheid van de standplaats samen te hangen dan met afkomst. Natuurlijke hybriden zijn niet bekend.

Waar en wanneer te zien

Dit is een soort voor wie bereid is op de knieën te gaan. Zoek in de regentijd op natte, halfbeschaduwde aardwanden en mospolletjes langs bospaden in bergbos tussen ruwweg duizend en tweeduizend meter, en kijk naar een gebied van een halve vierkante meter tegelijk. Een loep of een macrolens is onmisbaar: met het blote oog zie je hoogstens een lichtere stip in het mos. Nat weer werkt in je voordeel, want dan staan de klierdruppels vol en glinstert het blaadje. Controleer ook verse afkalvingen en de kanten van paden — pionierplekken leveren meer op dan gesloten bos.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. Wat bekend is, geeft op het eerste gezicht geruststelling: het areaal beslaat een aanzienlijk deel van Midden-Amerika en strekt zich over vijf of zes landen uit, en de soort is een pionier die van kleinschalige verstoring profiteert. Daar staat tegenover dat zij volledig afhankelijk is van permanent vochtig bergbos, en dat is in Midden-Amerika juist het vegetatietype dat het hardst achteruitgaat door ontbossing, koffieteelt en uitdroging. Doordat de soort zo klein en zo slecht verzameld is, ontbreken gegevens over populatiegrootte en trend vrijwel volledig. Het ontbreken van een beoordeling is hier dus vooral een kennisprobleem.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula crenatiloba | de Candolle, 1844

Beschreven door Augustin Pyramus de Candolle, op basis van materiaal van Moçiño en Sessé. Het typegebied ligt aan het pad van Totontepec (Mixe) naar Ocotepec, in de Mexicaanse deelstaat Oaxaca. De soortnaam crenatiloba is Latijn voor "met gekartelde lobben" en verwijst naar de gekartelde lippen van de kleine bloem.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.