Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula casperiana
Pinguicula casperiana
In de Serranía de Cuenca, het kalkbergland tussen Castilië en Aragón, groeit een vetblad dat tot 2020 onder een andere naam door het leven ging. Pinguicula casperiana werd in dat jaar afgesplitst van P. mundi, op grond van bloem-, vrucht- en zaadkenmerken en van genetische verschillen die de scheiding ondersteunen.

Herkenning
Een rozet van geelgroene, langwerpige bladeren die vettig aanvoelen, glinsteren van de klierdruppels en met de rand naar boven zijn omgekruld; op natte wanden staan ze schuin omhoog. De bloemstelen zijn kaal en dragen elk één tweelippige bloem met een tweelobbige bovenlip, een drielobbige onderlip en een spoor die bij deze groep lang en cilindrisch is. Betrouwbare maten voor plant, kroon en spoor van dit taxon konden voor deze gids niet in een toetsbare bron worden gevonden en zijn hier daarom niet opgegeven; de oorspronkelijke beschrijving in Phytotaxa geeft ze wel, maar was tijdens het samenstellen niet vrij raadpleegbaar.
Gelijkende soorten
De naaste verwant is Pinguicula dertosensis uit de Ports de Tortosa-Beseit, en daarnaast staat de soort dicht bij P. mundi, waarvan hij is afgesplitst. Precies dat maakt de determinatie lastig: de drie zijn Iberische rotsvetbladen met een lange spoor en violette bloemen, en de verschillen zitten in bloemdetails, in de vorm van de vrucht en in de zaadhuid. De geografie helpt het meest: P. casperiana is de plant van de Serranía de Cuenca, P. mundi die van de Sierra de Alcaraz en het Calar del Mundo, en P. dertosensis die van het noordoosten.
De val en hoe hij werkt
Een lijmval in een koele kalkkloof. Op het blad staan gesteelde klieren met een kleverige druppel en daartussen zittende klieren die verteringsenzymen leveren zodra er prooi op ligt. In de permanent vochtige lucht langs een druipende wand vliegen muggen, dansmuggen en vliegjes in ruime hoeveelheden, en die maken het grootste deel van de vangst uit. Na een vangst rolt de bladrand zich naar de prooi toe zodat het verteringsvocht in een ondiepe kom blijft staan; op een steile of overhangende wand is dat het verschil tussen verteren en verliezen. De kalk en de kalktuf waarop de plant staat leveren zelf vrijwel geen stikstof.
Standplaats en ecologie
Rotsachtige, kalkrijke bergmilieus: druipende kalk- en dolomietwanden, kalktufafzettingen bij bronnen, en schaduwrijke kloofwanden waar water permanent door sijpelt. De standplaatsen liggen in de middelhoge tot hoge zone van het massief en zijn meestal noordgericht, buiten het bereik van de zomerzon. De plant verdraagt geen droogte: waar het water in een droog jaar wegblijft, verdwijnt de populatie. In de omringende sierra, die 's zomers kurkdroog en heet is, vormen deze natte wanden scherp begrensde eilanden met een eigen, vochtminnende flora.
Verspreiding en hoogte
De Serranía de Cuenca, verdeeld over de provincies Cuenca en Guadalajara in Castilië-La Mancha, in het centraal-oostelijke deel van het Iberisch schiereiland. Het areaal is klein en beperkt zich tot de kalkkloven van dat massief. Onze eigen soortenlijst geeft voor dit taxon alleen 'Spanje'; dat is te grof, want de soort is nu juist gedefinieerd door zijn beperking tot dit ene bergland, en de vermeldingen uit andere Spaanse sierra's horen bij de verwante soorten.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er worden geen variëteiten in het wild onderscheiden — bij een taxon dat pas in 2020 is beschreven zou dat ook voorbarig zijn. De variatie die er is, volgt de standplaats: planten op de natste, schaduwrijkste wanden worden ruimer en bloeien rijker dan planten in een net vochtige spleet. Belangrijker is de taxonomische beweging eromheen: dit is de tweede afsplitsing binnen de Iberische rotsvetbladen in korte tijd, en het is niet uitgesloten dat verdere populaties in aangrenzende sierra's nog worden herzien. Oudere literatuur over de Serranía de Cuenca voert deze planten onder P. mundi.
Waar en wanneer te zien
Mei en juni, wanneer het winterwater nog door de kalk trekt. Zoek in de noordgerichte kloven en langs de bovenloop van de beken, op de plekken waar het water uit de wand komt en de rots glanst. Kijk omhoog: de rozetten hangen vaak boven ooghoogte in een spleet of op een tufrand. Betreed de tufafzettingen aan de voet van de wand niet — ze zijn zacht en broos en groeien niet terug. Fotografeer bloem, vrucht en blad en noteer de vindplaats nauwkeurig; bij een pas beschreven soort is een goede waarneming veel waard.
Staat van instandhouding
De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde Rode Lijst, wat bij een taxon van 2020 nauwelijks verbaast; er is dus geen internationale categorie, en CITES is niet van toepassing. Wat bekend is: een Iberische endemeet met een klein areaal in één kalkmassief, gebonden aan permanent natte wanden die volledig afhangen van bronafvoer. De bedreigingen zijn navenant: het aftappen van bronnen, dalende grondwaterstanden bij langere droogte, wegaanleg en waterwerken door de kloven, en recreatiedruk waar klimroutes en canyoning langs natte wanden lopen. Zolang een beoordeling ontbreekt, zegt het lege veld hier niets over veiligheid.
Wetenschappelijke naam
Pinguicula casperiana | Crespo, Martínez-Azorín, Alonso & Sáez, 2020
Beschreven door Manuel B. Crespo, Mario Martínez-Azorín, Miguel Ángel Alonso en Llorenç Sáez in 2020. Het typegebied ligt in de Serranía de Cuenca, in het grensgebied van de Spaanse provincies Cuenca en Guadalajara, waar de soort lange tijd verward werd met de verwante Pinguicula mundi en P. dertosensis. De soortnaam casperiana eert, net als P. casperi, de Duitse taxonoom Siegfried Jost Casper.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.